Korte geschiedenis
Dertig jaar geleden werd de Ziektewet geprivatiseerd door het eerste paarse kabinet. Die stap volgde mede uit aanbevelingen van de parlementaire enquête naar de uitvoering van de sociale zekerheid. Werkgevers werden voortaan verplicht het loon van zieke werknemers maximaal één jaar door te betalen.
Het idee daarachter was helder: de kosten moesten terechtkomen bij partijen die daar ook invloed op konden uitoefenen, bijvoorbeeld via preventie van ziekteverzuim, goede begeleiding tijdens ziekte en het stimuleren van terugkeer naar werk. Werkgevers konden het risico zelf dragen of verzekeren bij een particuliere verzekeraar. Voor werknemers gold eveneens een vorm van eigen risico: de loondoorbetaling werd vastgesteld op 70 in plaats van 100 procent van het loon.
Om de instroom in de arbeidsongeschiktheid te beperken, verlengde het kabinet-Balkenende II (CDA, D66 en VVD, dezelfde partijen die nu aan het formeren zijn) in 2004 de loondoorbetalingsplicht tot twee jaar, als onderdeel van een breder pakket. Deze wetswijziging sloot aan bij de conclusies van de commissie-Donner, die waarschuwde voor een ‘fuik’: de aandacht ging te veel uit naar het verkrijgen van een WAO-uitkering en te weinig naar herstel en werkhervatting.
De keerzijde van loondoorbetaling is evident. Zo concludeerde de Commissie-Borstlap in 2020 dat de loondoorbetaling en de re-integratieverplichtingen een ‘onevenredig’ zware last vormen, vooral voor kleinere werkgevers.
Deze maatregel paste bovendien binnen het SER-advies over de nieuwe WIA. Sociale partners beloofden daarbij de bovenwettelijke aanvullingen te beperken tot maximaal (beide jaren opgeteld) 170 procent van het loon over de eerste twee ziektejaren. Dat maakte de privatisering van de Ziektewet aanzienlijk duurder dan wettelijk noodzakelijk, aangezien de wet uitging van 140 procent over twee jaar. In veel huidige cao’s liggen de aanvullingen zelfs nog hoger. Op macroniveau gaat het al snel om een bedrag van drie miljard euro. Daarmee hebben sociale partners een belangrijke sleutel in handen om de loondoorbetaling minder kostbaar en tegelijk meer activerend te maken. Ultiem kan het kabinet hier ook wettelijk op ingrijpen.
Hoewel de huidige loondoorbetalingsplicht dus een breed gedragen geschiedenis kent, bestaan er ook serieuze bezwaren. Die krijgen de afgelopen jaren steeds meer aandacht. Het kabinet-Rutte III nam zich voor de loondoorbetalingsplicht voor kleine bedrijven te verkorten, maar dat bleek uiteindelijk niet uitvoerbaar en evenmin wenselijk. Met steun van de sociale partners werd daarom gekozen voor een substantiële lastenverlichting voor deze groep. Daarmee verdween het onderwerp echter niet van de agenda.
Keerzijde van loondoorbetaling
Er is ook een keerzijde van de huidige loondoorbetalingsplicht van twee jaar. Zo concludeerde de Commissie-Borstlap in 2020 dat de loondoorbetaling en de re-integratieverplichtingen een ‘onevenredig’ zware last vormen, vooral voor kleinere werkgevers. Ook in vergelijking met andere landen is de loondoorbetalingstermijn in Nederland uitzonderlijk lang. Een verwacht gevolg is een afname van de wendbaarheid, innovatiekracht en het concurrentievermogen van bedrijven. Dit vormt ook het belangrijkste argument van de commissie-Wennink in haar analyse van het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Daarnaast draagt de maatregel bij aan de driedeling op de arbeidsmarkt — tussen vaste en flexibele contracten en zelfstandigen — en kan zij werkgevers terughoudend maken bij het aannemen van mensen met een (mogelijke) arbeidsbeperking. Beide commissies benadrukken dat een verkorting van de loondoorbetaling onderdeel moet zijn van een bredere modernisering van de arbeidsmarkt, een traject dat niet van vandaag op morgen is gerealiseerd.
Verkorting loondoorbetaling geen goed idee
Terug naar het heden. Het is logisch om een stelsel aan te passen wanneer daar goede redenen voor zijn. Om tot een zorgvuldige afweging te komen, heeft de Tweede Kamer gevraagd om een verkenning van een kortere loondoorbetalingsperiode. Het is goed denkbaar dat de discussie hierover in de komende jaren wordt voortgezet, zoals ook blijkt uit het gepresenteerde regeerakkoord “Aan de slag”. Toch is een verkorting van de loondoorbetalingsplicht geen goed idee, zeker niet in de komende kabinetsperiode.
Allereerst zijn economen het erover eens dat de huidige regeling één van de krachtigste en meest succesvolle beleidsinstrumenten is om ziekteverzuim en daaropvolgende arbeidsongeschiktheid te verminderen. In combinatie met andere maatregelen leidde zij er aan het begin van deze eeuw toe dat de instroom in de WIA meer dan halveerde en het stelsel weer houdbaar werd. Nu die instroom de afgelopen jaren opnieuw toeneemt, is het onverstandig een bewezen effectief instrument overboord te zetten.
Werknemers [...] zouden dan al na één jaar een WIA-beoordeling aanvragen. Een grove berekening leert er jaarlijks wel 50 tot 100.000 mensen bijkomen op de bestaande wachtlijst [...] Voor UWV wordt dit, nog meer dan nu, dweilen met de kraan wijd open.
Daarnaast leidt een verkorting niet tot lagere maar tot hogere werkgeverslasten. Uitgangspunt is dat werknemers na één jaar ziekte worden gekeurd voor de WIA, en dat ook het ontslagverbod tot één jaar wordt beperkt. Wie minder dan 35 procent arbeidsongeschikt wordt verklaard, kan worden ontslagen en moet zelf op zoek naar een nieuwe baan of een beroep doen op een eigen middelen of een bijstandsuitkering via de gemeente. Er treedt dus deels een waterbed-effect op, maar dit is wel een directe besparing voor individuele werkgevers.
Door het doorsnijden van de band met de werkgever en de overgang naar een publieke verantwoordelijkheid wordt de re-integratie voor deze groep minder succesvol. De rekening van de extra WIA-uitkeringen komt uiteindelijk via de premies toch weer bij werkgevers terecht. Eerdere berekeningen van het Centraal Planbureau geven aan dat werkgevers per saldo circa 0,7 miljard euro meer aan premie gaan betalen. Dit macro-bedrag zal ondertussen een stuk hoger liggen omdat uitkeringen en aantallen hoger zijn. Minstens zo belangrijk is dat door de maatregel op lange termijn 20.000 mensen minder aan het werk zijn, terwijl we ieders talent en inzet hard nodig zullen hebben.
Wachtlijsten onaanvaardbaar hoog
De zwaarstwegende reden om de maatregel in de komende kabinetsperiode niet door te voeren, is dat de uitvoering het niet aankan. De WIA is voor UWV nu al niet meer uitvoerbaar. Zo dreigen de wachtlijsten voor een WIA-beoordeling op te lopen tot bijna 200.000 mensen in 2030, wat neerkomt op wachttijden van twee tot drie jaar. Dit komt naar voren in het recente interdepartementaal beleidsonderzoek “Werk aan de WIA”, dat ook voorstellen om deze urgente problematiek aan te pakken en het stelsel houdbaarder te maken. Dit uitvoeringsprobleem is niet alleen een probleem voor de uitvoering, maar vraagt ook om aanpassingen in de wet- en regelgeving. Het vergt bovendien meerdere jaren voordat de maatregelen voldoende effect hebben en de wachttijden daadwerkelijk afnemen.
Een verkorting van de loondoorbetalingsplicht zou dit probleem alleen maar verergeren. Werknemers die nu nog herstellen in het tweede ziektejaar, zouden dan al na één jaar een WIA-beoordeling aanvragen. Een grove berekening leert er jaarlijks wel 50 tot 100.000 mensen bijkomen op de bestaande wachtlijst. In 2030 zou de totale wachtlijst voor WIA-beoordelingen kunnen oplopen tot wel een half miljoen wachtenden, nog los van allerlei gedragseffecten. Voor UWV wordt dit, nog meer dan nu, dweilen met de kraan wijd open. Voor cliënten leidt het tot langdurige onzekerheid, wat herstel en terugkeer naar werk belemmert. Voor werkgevers betekenen langere wachttijden oplopende premies door verstrekte voorschotten en minder UWV dienstverlening. En opnieuw krijgt het algemeen vertrouwen in de overheid een forse deuk. De geschiedenis zou zich dan zomaar kunnen herhalen – op naar de volgende parlementaire enquête over de sociale zekerheid?
Referenties
Rijkoverheid (2026), Interdepartementaal beleidsonderzoek “Werk aan de WIA – naar een stelsel dat weer werkt”.
Koning, P. (2019), Verleden, heden en toekomst bam de arbeidsongeschiktheid, in: ESB 104, blz 151-153.
Centraal Planbureau (2020), Kansrijks arbeidsmarktbeleid – update sociale zekerheid, cpb.nl.
Rommelse, A. (2011), Een geschiedenis van het arbeidsongeschiktheidsbeleid in Nederland, Department of Economics Research Memorandum 2011.01.
Te citeren als
Ernst van Koesveld, “Loondoorbetaling bij ziekte: waarom inkorten nu meer kwaad dan goed doet”,
Me Judice,
2 februari 2026.
Copyright
De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.
Afbeelding
Via
Pxhere.