Geen grote welvaartskloof tussen VS en Europa
Er wordt veel gesomberd over de Europese economie, omdat de stijging van de arbeidsproductiviteit aan deze kant van de oceaan achterblijft bij die in de Verenigde Staten. De voor de inflatie gecorrigeerde omvang van de productie per gewerkt uur groeit in de VS inderdaad aanzienlijk sneller.
Bij zijn recente bezoeken aan Europa bespeurde de Amerikaanse econoom Krugman echter geen grote welvaartskloof tussen beide werelddelen. Dat versterkte zijn vermoeden dat de groei van het reële inkomen per gewerkt uur in Europa veel minder achterblijft bij die in de VS dan je zou verwachten, gezien de uiteenlopende ontwikkeling van de productiviteit. De verklaring daarvoor ligt volgens hem in de ontwikkeling van de ruilvoet (Krugman, 2026a).
Een deel van de Amerikaanse productiviteitswinst lekt weg
De ruilvoet geeft de verhouding weer tussen exportprijzen en importprijzen. Verbetert de ruilvoet, dan kan een land voor een gegeven hoeveelheid export meer import krijgen. Hierdoor kan het reële inkomen in zo’n land sterker stijgen dan de binnenslands geproduceerde hoeveelheid goederen en diensten.
Een deel van de productiviteitswinst slaat dus niet neer bij Amerikaanse producenten, maar bij de gebruikers van die producten, ook buiten de VS. Ook Europese consumenten en bedrijven profiteren.
De hightechsector in de VS realiseert al jarenlang een uitzonderlijk hoge groei van de arbeidsproductiviteit. Bijgevolg dalen de relatieve prijzen van veel hightechproducten. Een deel van de productiviteitswinst slaat dus niet neer bij Amerikaanse producenten, maar bij de gebruikers van die producten, ook buiten de VS.
Ook Europese consumenten en bedrijven profiteren van deze dalende prijzen. Hierdoor verbetert de ruilvoet van Europa. Ons reële inkomen stijgt dus extra. Dat van de Amerikanen neemt door het ruilvoetverlies minder toe dan de productie (per gewerkt uur). Hierdoor blijft de groei van het reële inkomen per gewerkt uur in de VS achter bij de groei van de arbeidsproductiviteit aldaar.
Europa profiteert mee
Bij een internationale vergelijking van de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit worden de cijfers voor verschillende landen doorgaans vergelijkbaar gemaakt door te corrigeren voor de prijsverschillen die bestonden in een ankerjaar. Daarmee blijft de invloed van ruilvoetveranderingen die in de loop van de jaren optraden buiten beschouwing. Dat is geen tekortkoming van deze cijfers. Zij zijn bedoeld om de productie per gewerkt uur te meten, niet voor de meting van het reële inkomen per gewerkt uur.
Krugman heeft voor zijn analyse een indicator nodig die de ontwikkeling van het reële inkomen per gewerkt uur representeert. Hij gebruikt daarvoor productiviteitscijfers die voor elk afzonderlijk jaar zijn gecorrigeerd voor de prijsverschillen tussen landen. Daarmee benadert hij de ontwikkeling van het reële inkomen per gewerkt uur.
Het lukt Europa niet om de snelle productiviteitsgroei van de VS bij te benen, maar de groei van het reële inkomen per gewerkt uur blijft veel minder achter bij het Amerikaanse tempo, dankzij een relatief gunstige ontwikkeling van de ruilvoet.
Volgens deze indicator is het verschil tussen het reële inkomen per gewerkt uur in Europa en dat in de VS in de afgelopen decennia veel minder toegenomen dan de kloof tussen de arbeidsproductiviteit in de twee continenten. Het lukt Europa niet om de snelle productiviteitsgroei van de VS bij te benen, maar de groei van het reële inkomen per gewerkt uur blijft veel minder achter bij het Amerikaanse tempo, dankzij een relatief gunstige ontwikkeling van de ruilvoet.
Voor Nederland maakt het bijzonder veel uit of al dan niet rekening wordt gehouden met het verloop van de ruilvoet. Dit blijkt duidelijk uit de cijfers. De groei van de arbeidsproductiviteit bleef in Nederland sinds de eeuwwisseling volgens OESO-cijfers cumulatief met ongeveer 25 procent achter bij die in de VS.
Volgens OESO-cijfers voor de door Krugman gehanteerde indicator voor het reële inkomen per uur nam de kloof tussen het reële inkomen per gewerkt uur in Nederland en dat in de VS in de afgelopen kwarteeuw echter nauwelijks toe. Een dergelijk groot verschil roept vragen op over de betrouwbaarheid van internationale prijs- en volumevergelijkingen. Dit gezegd zijnde: de cijfers ondersteunen wel het betoog van Krugman dat bij een vergelijking van de prestaties van het nieuwe en het oude continent niet mag worden volstaan met aandacht voor de arbeidsproductiviteit.
Krugman in debat met Europese economen
Het is Krugman niet gelukt iedereen ervan te overtuigen dat zijn analyse hout snijdt. Aghion et al. (2026) beklemtonen dat de groei van de arbeidsproductiviteit in de VS volgens de gangbare statistieken toch echt veel hoger is dan die in Europa. Krugman bestrijdt dat ook niet. Hij is er alleen niet van overtuigd dat de Amerikaanse economie het hele voordeel in eigen zak kan steken. Verbetering van de arbeidsproductiviteit is echter geen doel op zich. Uiteindelijk gaat het erom hoeveel goederen en diensten de inwoners van een land dankzij hun productieve inspanningen kunnen verwerven. De op deze manier gedefinieerde materiële welvaart hangt er niet alleen van af hoeveel de inwoners van een land per gewerkt uur produceren, maar ook van de prijzen waartegen de in het bewuste land voortgebrachte goederen en diensten internationaal kunnen worden geruild.
Een relatief hoge productiviteitsgroei in een exporterende hightechsector kan via lagere relatieve prijzen gedeeltelijk ten goede komen aan het buitenland.
Aghion et al. wijzen er in hun kritiek onder andere op dat internationale vergelijkingen op basis van de door Krugman gehanteerde indicator voor het reële inkomen per gewerkt uur problematisch en onbetrouwbaar zijn. Krugman (2026b) geeft ze daarin grif gelijk. Hetzelfde geldt volgens hem echter voor internationale vergelijkingen van de arbeidsproductiviteit, waarbij uitsluitend is gecorrigeerd voor de prijsverschillen in een bepaald ankerjaar.
De ruilvoet hoort in de vergelijking thuis
De belangrijkste bijdrage aan het debat van Krugman is niet dat hij de inkomenskloof tussen Europa en de VS exact heeft gemeten. Zijn bijdrage bestaat uit het waardevolle inzicht dat ontwikkelingen van de ruilvoet in de loop van de tijd in veel internationale vergelijkingen buiten beschouwing blijven. Een relatief hoge productiviteitsgroei in een exporterende hightechsector kan via lagere relatieve prijzen gedeeltelijk ten goede komen aan het buitenland.
Wie de materiële welvaart in Europa en de VS wil vergelijken, kan de ontwikkeling van de ruilvoet daarom niet buiten beschouwing laten. De kritiek van Aghion et al. richt zich vooral op de betrouwbaarheid van de door Krugman gebruikte inkomensindicator. De omvang van deze ruilvoeteffecten is daarmee onderwerp van debat. Over de omvang van deze effecten kan men twisten; dat ruilvoetveranderingen de inkomensontwikkeling van de inwoners van een land beïnvloeden, lijkt echter moeilijk te ontkennen.
Het debat maakt in ieder geval duidelijk dat productiviteitsgroei en inkomensgroei niet zonder meer samenvallen. Wie de economische prestaties van Europa en de VS wil vergelijken, kan daarom niet volstaan met een vergelijking van alleen de groei van de arbeidsproductiviteit.
Referenties
Aghion, P., Bergeaud, A, & Garicano, L. (2026) The mismeasurement of European productivity (revised), blog op www.silicontinent.com, 31 mei.
Krugman, P. (2026a) Challenging the Narrative of European Decline: Revised, Free Repost, blog op paulkrugman.substack.com, 21 mei.
Krugman, P. (2026b) Europe versus America: A response to the critics, blog op paulkrugman.substack.com, 30 mei.
Te citeren als
Jan Donders, Flip de Kam, “Europa profiteert mee van Amerikaanse arbeidsproductiviteitsgroei”,
Me Judice,
6 juli 2026.
Copyright
De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.
Afbeelding
door ''
Russ Garrett''