Het nieuwe kabinet kiest voor een te nauwe definitie van innovatie

Na de beëdiging kan het kabinet Jetten voortvarend “aan de slag” en “bouwen aan een beter Nederland”. De vraag daarbij is welke rol welvaartsbevordering - en vanuit dat perspectief het innovatiebeleid - hierbij gaat spelen. Door in te zetten op vier domeinen voor het opbouwen van technologische nicheposities lijkt het kabinet te kiezen voor een nauwe definitie van innovatie en een planmatige aanpak.

Welke welvaart moet worden vergroot?

Het regeringsbeleid wil de welvaart in ons land bevorderen. In verschillende passages in het regeerprogramma wordt deze band met de welvaart gelegd. Zo wordt vermeld dat het nodig is te “moderniseren, te verduurzamen, te innoveren en te investeren om onze welvaart ook in de toekomst te behouden”. Innovatie is daarbij volgens de aan het kabinet deelnemende partijen essentieel. Daarbij is goed onderwijs noodzakelijk om het verdienvermogen te verbeteren. Meer specifiek zijn volgens de regeringspartijen digitalisering en AI belangrijk voor innovatie, economische groei, de krappe arbeidsmarkt en toekomstige welvaart.

De vraag hierbij is welke invulling en concretisering van het begrip welvaart het nieuwe kabinet voor ogen heeft. Zo wordt het begrip ‘brede welvaart’ een paar keer expliciet genoemd in de tekst van het regeerprogramma: “Ondernemers zijn cruciaal voor het bereiken van meer economische groei, voor brede welvaart en voor de uitdagingen van de toekomst” en “Houdbare overheidsfinanciën zijn immers een belangrijke randvoorwaarde voor de brede welvaart van toekomstige generaties”.

In het regeerprogramma [is] niet duidelijk omschreven wat met brede welvaart wordt bedoeld [...] De indruk wordt gewekt dat welvaart volledig aan materiële welvaart – dus BBP-groei – wordt toegeschreven.

Toch is in het regeerprogramma niet duidelijk omschreven wat met brede welvaart wordt bedoeld: er wordt geen afweging gemaakt tussen verschillende doelen van brede welvaart (zie bijvoorbeeld Den Butter, 2023, en mijn bijdragen hierover in Me Judice: 2025a, 2025c). Zelfs suggesties hoe zo’n afweging zal plaatsvinden, ontbreken. De indruk wordt gewekt dat welvaart volledig aan materiële welvaart – dus BBP-groei – wordt toegeschreven.

Groeibevordering volgens recente rapporten van Draghi en Wennink

De aanbevelingen van de recente op industriële innovatie gerichte rapporten van Draghi en Wennink vormen in het regeerprogramma een belangrijke inspiratiebron: “conform het rapport-Wennink sturen we actief op 1,5% structurele economische groei en als dat niet wordt gehaald, sturen we bij”. Dit rapport van de commissie Wennink is op 15 december 2025 uitgebracht en was vanuit een opdracht van het Ministerie van Economische zaken bedoeld als input voor het komende regeerprogramma.

Het rapport heeft als titel “De route naar toekomstige welvaart; Een sterk Nederland in een relevant Europa”. De gerichtheid op welvaart staat dus expliciet in de titel van het rapport. Daarbij vertaalt dit rapport de aanbevelingen van het Draghi-rapport, dat de toekomst van het Europese verdienvermogen schetst, naar de Nederlandse context.

Net als het regeerprogramma verwijst ook het rapport Wennink een aantal maal naar het begrip brede welvaart. Zo hebben, volgens het rapport, jaren van economische voorspoed geleid tot “brede welvaart, een sterke sociale zekerheid en een hoge mate van geluk onder de bevolking. Maar tot 2035 zijn, volgens Wennink c.s. minstens € 151 tot 187 miljard aan additionele, grotendeels private investeringen nodig: “zonder deze impuls daalt onze toekomstige (brede) welvaart”.

In het vervolg van het rapport valt te lezen hoe onze economie sterker en innovatiever kan worden, en “hoe Nederland daarmee zijn strategische relevantie, toekomstbestendigheid en brede welvaart veiligstelt”. …”Bescherming van werknemers, gemeenschappen, het milieu en intellectueel eigendom bevorderen daarnaast de brede welvaart”. Maar ook hier geen afweging tussen groei en andere beleidsdoelen.

Technologische keuzes: picking winners?

Voor de route naar toekomstige welvaart moet Nederland volgens Wennink c.s technologische nicheposities opbouwen binnen vier domeinen: (i) digitalisering en AI, (ii) veiligheid en weerbaarheid, (iii) energie- en klimaattechnologie, en (iv) life sciences en biotechnologie. Dat vereist fors hogere R&D-investeringen en een veel effectievere vertaling van wetenschappelijke kennis naar commerciële toepassingen en schaalbare bedrijven.

Voor de route naar toekomstige welvaart moet Nederland volgens Wennink c.s technologische nicheposities opbouwen binnen vier domeinen [...] Opmerkelijk is dat het hier uitsluitend om de keuze voor hoogwaardige technologische ontwikkelingen gaat.

Opmerkelijk is dat het hier uitsluitend om de keuze voor hoogwaardige technologische ontwikkelingen gaat. In die zin lijkt er enige verwantschap met het Innovatieplatform uit de beginjaren van deze eeuw. Dat had de missie om het innovatieve vermogen van de Nederlandse economie te versterken zodat Nederland weer een koploper wordt in de Europese kenniseconomie. Het Innovatieplatform als adviesorgaan van het kabinet stond indertijd onder voorzitterschap van minister-president Balkenende. Net als bij Wennink c.s. werden door het innovatieplatform sleutelgebieden gekozen, gebieden waarin Nederland sterk is, of moet worden, die daartoe via overheidsbeleid dienen te worden ondersteund.

De vraag die hierbij indertijd werd gesteld, en die nu weer kan worden gesteld, of een dergelijk beleid van “picking winners” of van het ondersteunen van winnaars, vanuit de theorie van de economische politiek wel de juiste weg is. De keuze voor wat in het land de winnaars zullen zijn in de economie moet niet door een commissie worden gemaakt. De overheid dient slechts te faciliteren dat creatieve ondernemers met gevoel voor innovatie winstgevende bedrijvigheid kunnen ontwikkelen. Geldelijke ondersteuning kan dan plaatsvinden vanuit de gedachte dat zulke nieuwe bedrijvigheid positieve externe effecten met zich meebrengt. Maar het hoeft daarbij niet, zoals bij het innovatieplatform en Wennink, uitsluitend om technologische innovaties in sleutelgebieden te gaan: zogenoemde handelsinnovaties die de transactiekosten verlagen kunnen evenzeer aan economische groei bijdragen (zie b.v. Den Butter, 2023, blz. 612-613, zie ook Den Butter, 2025b).

Dit sluit aan op de kritiek die Stegeman, hoofdeconoom van de Triodos Bank, op het rapport Wennink heeft (onder meer in Vrij Nederland, 19 december 2025). Volgens hem moet niet groei centraal staan, maar ‘’gaat het om veerkracht.” Er zijn andere keuzes mogelijk en nodig voor toekomstig verdienvermogen: bij Wennink wordt volgens Stegeman een politieke keuze verpakt als economische noodzaak.

Planeconomie versus beleid gericht op politieke keuzes

Deze discussie over op economische groei gericht overheidsbeleid doet denken aan de verschillen in inzicht tussen de twee eerste Nobelprijswinnaars in de economie, Frisch en Tinbergen (zie ook Dekker, 2019). De planmatige inrichting van de economie gericht op productiegroei, zoals deze uit het rapport Wennink naar voren komt, lijkt in lijn met de bedrijfsgerichte denkwereld van Frisch.

In ons land is het beleid meer gericht op de leer van de economische politiek van Tinbergen. Verschillende politieke voorkeuren ten aanzien van de verwezenlijking van de doelstellingen kunnen tot ander beleid aanleiding geven. Hier ligt dus het primaat bij de politiek; voor de invulling van het economisch beleid moeten dan de politieke voorkeuren als uitgangspunt gelden (zie ook de kritiek van Stegeman).

Theil heeft deze leer van Tinbergen aangevuld met een welvaartsfunctie die weergeeft in welke mate de verschillende doelstellingen bijdragen aan de maatschappelijke welvaart. Zo dient de politiek aan te geven wat het relatieve belang van de verschillende doelstellingen voor de welvaart is. Het gaat dan bijvoorbeeld om de afweging tussen meer economische groei, weinig inflatie, een grotere gelijkheid of een beter milieu. Met de benoeming van dergelijke politieke ruilwaarden komt het begrip brede welvaart prominent in beeld.

In ons land is het beleid meer gericht op de leer van de economische politiek van Tinbergen. Verschillende politieke voorkeuren ten aanzien van de verwezenlijking van de doelstellingen kunnen tot ander beleid aanleiding geven.

Dit verschil tussen de opvattingen van Frisch en Tinbergen heeft een belangrijke rol gespeeld bij de vormgeving van de economische beleidsanalyse in ons land. Dit verschil in benadering speelde in de begintijd van het CPB tussen Tinbergen en Van Cleeff. Laatstgenoemde bepleitte een aanpak in lijn met de bedrijfsplanningsmethodiek van Frisch (zie Van den Bogaard, 1999). Daarentegen toonde Tinbergen zich een protagonist van het poldermodel waarin een compromis tussen verschillende politieke voorkeuren moet worden bereikt. Uiteindelijk is de theorie van Tinbergen (en Theil) in ons land leidend geworden bij de beleidsanalyse. Wel grijpt de naam ‘Planbureau’ (niet alleen CPB, maar ook PBL en SCP) terug op deze naoorlogse gedachte dat voor herstel van de economie een planmatige opzet nodig was.

De overgang van de planmatige opzet van het economische beleid naar de meer Tinbergiaanse manier van het benoemen met welke instrumenten de door de politiek gewenste doelstellingen kunnen worden bereikt, wordt ook beschreven in de historische beschouwing over het CPB van Passenier (1994), zij het dat daar minder wordt verwezen naar de tegenstellingen tussen enerzijds Frisch en Van Cleeff, en anderzijds Tinbergen. Overigens is de beleidsanalyse in Noorwegen, het thuisland van Frisch, nog deels op zijn gedachtengoed geënt (zie Bjerkholt, 1998).

Innovatiebeleid van het kabinet Jetten

De voorstellen in het regeerprogramma voor het innovatiebeleid vormen een soort mengeling tussen de door politieke doelstellingen gedreven Nederlandse beleidstraditie en de bedrijfsmatige planmethodiek van Frisch. Zo stelt het regeerprogramma dat we moeten investeren in innovatie om in de toekomst onze welvaart, en daarmee de financierbaarheid van de gehele publieke sector op peil te houden. Dit omdat innovatie en toegepaste kennis bepalend zijn voor onze positie in de wereld.

Het kabinet zal toewerken naar een 3%-norm voor R&D-investeringen. Het bedrijfsleven moet voorzien in het grootste deel daarvan, maar de overheid kan met publieke investeringen ook private investeringen aanjagen. De overheid moet daarnaast de randvoorwaarden creëren en vaker optreden als ‘launching customer’ voor innovatieve technologieën. Om innovaties vanuit de ontwikkelfase te laten doorgroeien, wordt een Nationaal Groeifonds opgezet en wordt door de regering waar mogelijk Europese cofinanciering benut.

Het valt [...] op dat er in het regeerprogramma [...] geen enkele expliciete aandacht is voor zo’n internalisering van externe effecten is. Ook niet in ruimere zin bij de vraag hoe verschillende vormen van marktfalen kunnen worden voorkomen.

In deze bewoordingen laat dit zich vertalen als het internaliseren door de overheid van positieve externe effecten van het ontwikkelen en operationaliseren van innovatieve technieken. Het valt echter op dat er in het regeerprogramma bij de bespreking van alle voorgenomen maatregelen geen enkele expliciete aandacht is voor zo’n internalisering van externe effecten is. Ook niet in ruimere zin bij de vraag hoe verschillende vormen van marktfalen kunnen worden voorkomen. Bovendien is de aandacht voor R&D investeringen hier veel te beperkend. Zo blijft buiten beschouwing dat innovaties die de transactiekosten verlagen – door mij ook wel aangeduid als handelsinnovaties - in ons land minstens een even groot deel aan de productiviteitsgroei bijdragen als technologische innovaties. Denk bijvoorbeeld aan allerlei standaards en apps die handel en betalingen op internet vergemakkelijken. Maar ook aan het efficiënt organiseren van productieketens.

Doorvertaling van het rapport Wennink

De beleidsvoornemens op het gebied van innovatie in het regeerprogramma zijn voor een belangrijk deel ontleend aan het rapport van de commissie Wennink. Zo wordt bij het nieuwe strategische industriebeleid gekozen voor de vier door Wennink c.s genoemde domeinen: digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, energie- en klimaattechnologie en life sciences en biotechnologie. Binnen deze domeinen wordt het beleid gericht op het opbouwen van technologische nicheposities. Daarnaast noemt het regeerprogramma nog het voornemen dat Nederland zijn sterke positie in de schone maakindustrie verder uitbouwt, met kansen voor circulaire bouwmaterialen, groene chemie, biobased plastics, waterstof en de maritieme sector.

In lijn met de aanbevelingen van Wennink c.s. is ook het plan om binnen twee jaar na de start van het kabinet een Nationale investeringsinstelling op te richten. Dit om de Nederlandse kapitaalmarkt en ons verdienvermogen op lange termijn te versterken. Deze instelling dient om financiering te verstrekken aan projecten en bedrijven die deze financiering niet zelfstandig op de private financieringsmarkt kunnen ophalen. Het gaat daarbij om overwegend marktconforme financiering, die kan bestaan uit eigen vermogen en verschillende type leningen. Deze investeringsinstelling is gericht op private investeringen, mobiliseert institutioneel kapitaal en is de Nederlandse partner van de Europese investeringsbank. De instelling is er niet voor publieke taken en werkt op afstand van politiek en departementen.

Dit volgen van de aanbevelingen in het rapport Wennink betekent dat het innovatiebeleid beperkt blijft tot de industrie op basis van een planmatige, op productiviteit van bedrijven gerichte opzet. 

Dit volgen van de aanbevelingen in het rapport Wennink betekent dat het innovatiebeleid beperkt blijft tot de industrie op basis van een planmatige, op productiviteit van bedrijven gerichte opzet. Dus meer Frisch dan Tinbergen. Innovatie in de dienstverlening blijft daarbij volledig buiten beeld. Daarbij komt dat in de huidige onzekere tijden over handelsbelemmeringen en invoerheffingen het snel kunnen aanpassen van productieketens ook het verdienvermogen op peil kan houden (Den Butter, 2025b).

Besluit

De tekst van het regeerprogramma wekt de indruk dat bevordering van brede welvaart een belangrijk uitgangspunt van het economisch beleid vormt. Dat zou dus ook voor het innovatiebeleid moeten gelden. Maar vooralsnog lijkt dat niet het geval.

Het beleid is met keuzes voor specifieke aandachtsgebieden volledig op verhoging van de productiviteit in de industrie gericht. Mogelijke productiviteitswinsten in de dienstverlening en organisatie van de handel en productieketens blijven daarbij buiten beeld. Zo is het door de regering voorgestelde bevordering van de industriële innovatie veel meer gekoppeld aan het planmatige beleid volgens Frisch dan aan de opzet van Tinbergen om het beleid te richten op het behalen van verschillende doelstellingen van economische politiek.

Hoewel het regeerprogramma lippendienst bewijst aan brede welvaart als uitgangspunt van het beleid, is niet duidelijk welke afwegingen daarbij tussen de verschillende beleidsdoelen worden gemaakt. Zoals tussen materiele economische groei en een verbetering van het milieu en een beperking van de klimaatschade. Of tussen meer gelijkheid binnen de huidige generatie en tussen de huidige en toekomstige generaties. Hopelijk krijgen deze keuzes en afruilwaarden tussen de verschillende onderdelen van de brede welvaart meer aandacht van de nieuwe regering. Ook in het innovatiebeleid.

Referenties

Bjerkholt, O. (1998). Interaction between model builders and policy makers in the Norwegian tradition, Economic Modelling, vol. 15(3), blz. 317-339.

Bogaard, A. van den (1999), Configuring the Economy: The Emergence of a Modelling Practice in The Netherlands, 1920-1955, Thela thesis.

Butter, F.A.G. den (2023), Naar Nieuwe Welvaart; Richtingwijzers voor een Toekomstbestendig Regeringsbeleid, VU University Press, Amsterdam, ISBN 978 90 8659 892 2, 644 blz.

Butter, F.A.G. den (2025a), De institutionalisering van Brede Welvaart in de politiek, Me Judice, 18 februari 2025.

Butter, F.A.G. den (2025b), De invoerheffingen bieden Nederland als transactieland kansen, Me Judice, 18 april 2025.

Butter, F.A.G. den (2025c), Partijprogramma’s doorgelicht: Welke politieke partijen hebben oog voor Brede Welvaart? Me Judice, 19 september 2025.

Dekker, E. (2019), Entangled economists: Ragnar Frisch and Jan Tinbergen, Erasmus Journal for Philosophy and Economics, Vol. 12 No. 2 (2019): Winter 2019.

Passenier, J. (1994), Van Planning naar Scanning. Een halve eeuw Planbureau in Nederland, Wolters-Noordhoff, Groningen

 

Te citeren als

Frank den Butter, “Het nieuwe kabinet kiest voor een te nauwe definitie van innovatie”, Me Judice, 20 februari 2026.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

Afbeelding
Afbeelding: Lawrence Livermore National Laboratory - Own work, CC BY-SA 3.0Link

Ontvang updates via e-mail