De generatiestrijd vraagt om beleid gericht op overdrachten tussen generaties

Gisteren

Onlangs verscheen het boek ‘De generatiestrijd’ van Paul de Beer. Het biedt een grondige analyse over de verschillende denkbeelden en voorkeuren van een aantal verschillende generaties in Nederland. Die generaties blijken inderdaad van elkaar te verschillen, maar op andere punten en minder vaak dan vaak aangenomen. Beleid moet zich richten op beïnvloeding van de overdrachten tussen generaties.

Welke generatiestrijd?

Op zich is het moeilijk te bepalen welke generaties voor een analyse dienen te worden onderscheiden, en waar de grenzen tussen die generaties liggen. Formeel zou op basis van de beschikbare gegevens een soort clusteranalyse kunnen worden uitgevoerd, maar dat zou bij iedere veronderstelde specifieke eigenschap een andere indeling kunnen opleveren.

Daarom richt het boek ‘De generatiestrijd’ op een indeling van generaties, die uit de Verenigde Staten is komen overwaaien en ook in het generatie denken in Nederland wordt gebruikt. Het gaat daarbij om:

  1. Babyboomers (geboren tussen 1946 en 1964),
  2. Generatie X (1965-1979)
  3. Generatie Y of Millennials (1980-1994)
  4. Generatie Z of Gen Z (1995-2009).

Naast deze naoorlogse generaties betrekt De Beer ook a. de Oudste generatie (1900-1914), b. de Crisisgeneratie (1915-1929) en c. de Stille generatie (1930-1945) in de beschouwingen. Een kenmerk van deze indeling is dat iedere generatie (behalve de babyboomers) een periode van 15 jaar omvat.

Het begrip generatiestrijd suggereert dat er tussen deze generaties belangentegenstellingen zijn waarbij een goede uitkomst voor de ene generatie automatisch ten koste van andere generaties gaat. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen bij de pensioenen en bij de keuze tussen materiële welvaart en milieubehoud. In zulke gevallen is het aan het beleid om op basis van de (dan geldende) politieke voorkeuren tot een eerlijke verdeling te komen van de lusten en lasten tussen de opvolgende generaties. Overigens dienen daarbij ook de jongste en ongeboren generaties te worden betrokken.

Verschillende waarden en voorkeuren

De verschillen tussen de (naoorlogse) generaties in Nederland zijn al vaker onderwerp van onderzoek, en zeker van debat, geweest. Zo is ‘Boomer‘ door Van Dale in 2019 zelfs tot Nederlands (!) woord van het jaar verkozen.

De vraag in het kader van de generatiestrijd daarbij is welke generaties zich het grootste deel van de huidige en toekomstige welvaart weten te verwerven. De indertijd 35-jarige Nederlandse schrijver Philip Huff heeft in 2019 luid en duidelijk, onder meer in NRC Handelsblad en het televisieprogramma ‘Buitenhof’, de mening verkondigd dat de generatie van babyboomers zich een onevenredig deel van de welvaart heeft weten te verwerven. “Ze stonden bekend als de progressieve voorhoede, maar nu zitten ze als generatie degenen die na hen komen in de weg”.

Het begrip generatiestrijd suggereert dat er tussen deze generaties belangentegenstellingen zijn waarbij een goede uitkomst voor de ene generatie automatisch ten koste van andere generaties gaat.

In dit licht noemt De Beer een aantal andere populaire (voor)oordelen over de verschillende generaties: “Gen-Z’ers zijn lui, maar wel erg maatschappelijk betrokken. Millennials waarderen vrijheid en flexibiliteit. Generatie X heeft behoefte aan persoonlijk contact en stabiliteit.”

De studie van De Beer ontrafelt via een gedegen en uitgebreid empirisch onderzoek feit en fictie over zulke generatieverschillen. De conclusie is dat er inderdaad sprake is van generatieverschillen, maar dat ze lang niet altijd overeenkomen met wat daarover in populaire media wordt gemeld.

Een belangrijk probleem bij het benoemen van de echte generatieverschillen is dat in werkelijkheid drie effecten door elkaar heenlopen. Naast de generatie-effecten betreft dit de levensfase- en periode-effecten. Zo bevinden de generaties op een bepaald waarnemingsmoment zich in een verschillende levensfase, zodat de dan waargenomen verschillen met de levensfase kunnen samenhangen en dus niet aan echte verschillende opvattingen en waarden tussen de onderscheiden generaties zijn toe te schrijven. Dat geldt ook voor de periode waarin de waarneming plaatsvindt: het kan zijn dat in de ene periode er meer aandacht voor gelijkheid, of voor het milieu is, terwijl in een andere periode materiële welvaart een groot gewicht in de schaal legt.

De “echte” generatieverschillen

In zijn berekeningen poogt De Beer zo goed mogelijk de echte generatieverschillen los te koppelen van die levensfase- en periode-effecten. Zo blijken de babyboomers wat betreft opvattingen wat postmaterialistischer dan de voorgaande generaties. Deze groep hecht veel belang aan vrijheid van meningsuiting en inspraak, ze neemt afscheid van kerk en geloof, hecht minder belang bij het maatschappelijke nut van hun werk en krijgt minder kinderen dan de eerdere generaties. Daarnaast hebben babyboomers vaker overgewicht en de jeugdcriminaliteit maar ook het aantal zelfdodingen nemen aanzienlijk toe ten opzichte van voorgaande generaties.

De Beer ziet Generatie X vooral als een voortzetting van de babyboomgeneratie. Van alle generaties hechten de X’ers het minste belang om maatschappelijk nuttig werk te doen of in hun werk andere mensen te helpen. In materieel opzicht vergaat het deze generatie nog wat beter dan de babyboomers: dat komt vooral omdat vrouwen veel meer zijn gaan werken.

De studie van De Beer ontrafelt via een gedegen en uitgebreid empirisch onderzoek feit en fictie over zulke generatieverschillen. De conclusie is dat er inderdaad sprake is van generatieverschillen.

De verschillen tussen de Millennials en de generaties daarvoor zijn, anders dan in populaire beschrijvingen wel gedacht, ook vrij gering. Ze zijn iets minder vaak een voorstander van gelijke rolverdeling tussen man en vrouw en scoren wat lager op de postmaterialismeschaal – betaald werk wordt wat belangrijker gevonden. Ook het vertrouwen in anderen neemt licht af. Daarentegen zijn ze materieel niet slechter af dan de voorgaande generaties: hun inkomen is even hoog; ze hebben een groter vermogen en even vaak een eigen woning als generatie X.

Het is momenteel moeilijk dergelijke uitspraken voor generatie Z te doen omdat er nog alleen zicht is op de eerste levensfase. Wel lijkt deze generatie wat conservatiever of traditioneler dan de voorgaande generaties. Er zijn echter geen aanwijzingen dat het deze generatie in materieel opzicht minder goed gaat dan de voorgaande generaties in dezelfde levensfase.

Beleid richten op overdrachten tussen generaties

De door De Beer gesignaleerde “echte” verschillen tussen de generaties bieden echter weinig aanknopingspunten voor een op generaties gericht beleid. Zeker wanneer de nadruk ligt op het economische beleid. Dan verdient een analyse van de verschillende overdrachten die tussen generaties plaatsvinden de voorkeur.

Deze overdrachten tussen generaties vormden de werktitel van het WRR-rapport over “Generatiebewust beleid” (WRR, 1999, zie ook Den Butter, 2023, blz.533-541). Dit WRR rapport onderscheidt verschillende vormen van kapitaal waarbij overdrachten plaatsvinden. Het gaat daarbij om overdrachten van (1) Technologiekapitaal; (2) Menselijk kapitaal; (3) Financieel kapitaal; (4) Milieukapitaal; (5) Sociaal kapitaal. Kapitaal wordt daarbij dus veel breder opgevat dan alleen het geldelijk vermogen. Indertijd is in het WRR-rapport het sociaal kapitaal buiten beschouwing gelaten. Dat betreft overdrachten via opvoeding en het leren participeren en generationele verscheidenheid in de burgersamenleving (civil society). Later heeft de WRR hier wel aandacht aan besteed, zoals in het rapport “Waarden, normen en de last van het gedrag” uit 2003, waarbij Paul de Beer projectsecretaris was. Juist op het gebied van sociaal kapitaal komen de verschillen in normen, waarden en voorkeuren tussen generaties pregnanter in beeld dan bij de andere overdrachten tussen generaties.

In het rapport “Generatiebewust beleid” ligt de nadruk bij de overdrachten tussen jong en oud. Het verschaft een kader voor de mate waarin de verdeling van de welvaart in het verleden tussen jong en oud heeft plaatsgevonden, en welk beleid er in de toekomst voor een redelijke intergenerationele welvaartsverdeling nodig is. Een belangrijk aspect daarbij is dat niemand weet of toekomstige generaties dankbaar zullen zijn voor nieuwe uitvindingen en investeringen die door de huidige generaties worden voortgebracht. Toch behoort het tot de verantwoordelijkheid van de huidige generatie om met vernieuwing door te gaan, zoals ook vroegere generaties door hun aandacht voor technologische vooruitgang de huidige welvaart mogelijk hebben gemaakt (Den Butter en Schuyt, 2000).

Zo dienen we voldoende natuur- en cultuurwaarden voor toekomstige generaties over te laten. Wel betekent het dat het beleid niet moet proberen een precies evenwicht van gedane en te ontvangen overdrachten per generatie te willen bewerkstelligen. Daarbij komt het feit dat de intergenerationele overdrachten in de verschillende sectoren niet los van elkaar mogen worden beschouwd en dat kwantificering van de enorme overdrachten in de sfeer van milieu en technologie afhankelijk is van veranderende preferenties.

Het kabinet [heeft] onlangs een onafhankelijke adviesraad ingesteld die ervoor moet zorgen dat de arbeidsproductiviteit in ons land omhoog gaat. Hopelijk houdt die adviesraad rekening met aspecten van brede welvaart.

Toch is in meer specifieke zin wel gewezen op een generatieconflict vanwege veranderende preferenties. Het gaat daarbij om de generatie van de babyboomers ten opzichte van de latere generaties, gesymboliseerd door de Zweedse klimaatactiviste Greta Thunberg (zie ook Den Butter, 2020). De boomers en hun ouders hebben in de tweede helft van de vorige eeuw zowel voor een grote toename van het technologiekapitaal gezorgd als voor de kennis om die technologie goed te benutten. Dat heeft een forse materiële welvaartsgroei opgeleverd, waarvan de jongeren ook in de toekomst nog profiteren.

De keerzijde, waar Greta en haar medestanders zich op richten, is een afbraak van het milieukapitaal in ruime zin, waaronder de opwarming van de aarde. Om deze afbraak te keren en ervoor te zorgen dat de aarde voor Greta en haar kinderen leefbaar blijft, dient de technologische ontwikkeling veel meer op milieubesparing te zijn gericht dan op arbeidsbesparing. Daarbij impliceert generatiebewust beleid dat men, bij een keuze tussen meer economische groei of een beter milieu, voor het laatste zal dienen te kiezen.

De vraag is wel of deze keuze in de huidige gepolariseerde wereld op voldoende politieke steun kan rekenen. Zo heeft het kabinet onlangs een onafhankelijke adviesraad ingesteld die ervoor moet zorgen dat de arbeidsproductiviteit in ons land omhoog gaat. Hopelijk houdt die adviesraad rekening met aspecten van brede welvaart, waaronder welvaart voor komende generaties via een beter milieu.

Financiële overdrachten tussen en binnen generaties

De beleidsafwegingen op het gebied van financiële overdrachten tussen en binnen generaties zijn relatief het beste met gegevens te onderbouwen. Het gaat daarbij om overdrachten via erfenissen, pensioenregelingen, schenkingen en via de overheid. De erfenissen van individueel opgebouwd kapitaal vormen hiervan een belangrijk onderdeel, zeker nu de huidige generatie ouderen (Boomers) flink wat overwaarde op hun woningbezit heeft opgebouwd.

De omvang van de erfbelasting is daarbij een actueel discussiepunt. In veel gevallen, maar lang niet altijd, is zo’n erfenis een overdracht van de oude naar de jongere generatie. De omvang van de erfbelasting is bepalend voor hoeveel van deze overdrachten daadwerkelijk bij de erfgenamen terechtkomt. De erfbelasting vormt een inkomen voor de overheid. Afhankelijk van de manier waarop de overheid dit geld besteedt of minder belastingen heft, zal het toch deels ook om een overdracht van de oudere naar de jongere generatie gaan.

De omvang van de erfbelasting is daarbij een actueel discussiepunt. In veel gevallen, maar lang niet altijd, is zo’n erfenis een overdracht van de oude naar de jongere generatie. De omvang van de erfbelasting is bepalend voor hoeveel van deze overdrachten daadwerkelijk bij de erfgenamen terechtkomt.

In de pensioenregelingen zijn er verschillende overdrachten tussen en binnen generaties. Bij de kapitaal gedekte regelingen gaat het, wanneer deze tenminste goed zijn vormgegeven en rekenen met verschillen in langleven-risico tussen groepen pensioengerechtigden, ten principale om een overdracht tussen de eerder overleden en langlevende leden van dezelfde generatie. De AOW is op het omslagstelsel gebaseerd: de overdrachten vinden hier van de jongere naar de oude generatie plaats, onder de belofte dat de jongere generatie later ook weer AOW van de volgende generatie zal ontvangen. Wel is een gedeelte van de AOW-premie gefiscaliseerd, hetgeen betekent dat alle rijkeren uit de verschillende generaties aan de AOW meebetalen.

Voor schenkingen geldt in beginsel hetzelfde als voor de erfenissen: meestal zal het om een overdracht van de rijkere oudere generatie aan de andere generaties gaan, en zelfs aan de toekomstige generaties wanneer de schenking bijvoorbeeld de opbouw van wetenschappelijke kennis betreft.

Een belangrijk onderdeel van de overdrachten via de overheid vormt de opgebouwde staatschuld. In beginsel is dat een overdracht van de toekomstige aan de huidige generatie. Dan dient wel tegenover de opgebouwde staatsschuld ook overheidskapitaal te staan dat ten goede aan de toekomstige generaties komt.

Besluit

De strijd tussen generaties, zoals door De Beer voor Nederland in beeld gebracht, laat zien dat de verschillen tussen de generaties minder groot zijn, en andere aspecten betreffen, dan dat populaire beschouwingen ons wel doen geloven. Het beleid kan zich beter richten op de verschillende overdrachten tussen, maar ook binnen de generaties. Dan kan rekening worden gehouden met een eerlijke verdeling van lusten en lasten tussen generaties, maar ook met verschillen in politieke preferenties die bij dergelijke intergenerationele overdrachten gelden.

Referenties

Beer, P. de, 2026, Generatiestrijd; Feit en fictie over generaties, Brave New Books, 232 blz.

Butter, F.A.G. den, 2020, Boomers laten Greta veel materieel kapitaal na, ten koste van milieukapitaal, Economisch Statistische Berichten, 105, nr. 4785, blz. 243-245.

Butter, F.A.G. den, 2023, Naar nieuwe welvaart; Richtingwijzers voor een toekomstbestendig regeringsbeleid, VU University Press, Amsterdam, ISBN 978 90 8659 892 2, 644 blz.

Butter, F.A.G. den, en C.M.J. Schuyt, 2000, De economische band tussen generaties, Economisch Statistische Berichten, 85, blz. 92-94.  

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 1999, Generatiebewust Beleid, Rapporten aan de Regering nr. 55 (SDU Uitgevers, Den Haag), ISBN 90 399 1687 X, 381 blz.

Te citeren als

Frank den Butter, “De generatiestrijd vraagt om beleid gericht op overdrachten tussen generaties”, Me Judice, 20 juli 2026.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

Afbeelding
door ''rippchenmitkraut66''

Ontvang updates via e-mail