Hoe groot is het probleem van het tekortschietende pensioen van zzp’ers nou echt?

Onderwerp:
Dossier:
Hoe groot is het probleem van het tekortschietende pensioen van zzp’ers nou echt? image
Door ''Luke Roberts''

Het tekortschietend pensioen van zzp’ers wordt als een belangrijk probleem gezien. Maar hoe groot is dat probleem nu werkelijk? Op basis van een onderzoek onder zzp’ers in 2025 blijkt de kwaliteit van het ‘pensioen’ van de meeste zzp’ers voldoende. Maar het zou te ver gaan om te stellen dat de pensioenpraktijk van zzp’ers geen risico’s kent.

Inleiding

Politiek en pensioendeskundigen maken zich in wisselende mate druk om het pensioen van zzp’ers. Het terugdringen van de beperkte pensioenopbouw zou gecorrigeerd moeten worden via pensioenverplichtingen. Dit staat weer in schril contrast met de zzp’ers die de bemoeizucht van de overheid zien als betutteling en een extra kostenpost.

In het recente verleden hebben instanties als DNB (2020), AFM (2023), Stichting van de Arbeid (2020), Netspar (2022) en de IBO Pensioenopbouw (2024) zich hier uitgebreid over gebogen. Geregeld komt de minister van SZW met een update over het probleem van werkenden en het risico van een tekortschietend pensioen. Voor werknemers is die bemoeienis helder: als werknemer ga je ervan uit dat een pensioenfonds zijn beloften over een goed pensioen nakomt. Voor wie niet spaart (witte vlek), of wellicht wel spaart maar niet op een goed pensioen kan rekenen (grijze vlek), ligt een rol weggelegd voor toezichthouders (van Dalen en Henkens, 2024).

Voor werknemers is die bemoeienis helder: als werknemer ga je ervan uit dat een pensioenfonds zijn beloften over een goed pensioen nakomt [...] Maar wat als je naar de positie van zzp’ers kijkt? Die situatie is minder helder.

Maar wat als je naar de positie van zzp’ers kijkt? Die situatie is minder helder. In tegenstelling tot de werknemers die doorgaans verplicht met pensioen gaan op hun pensioendatum, hebben zzp’ers nog altijd hun ‘vijfde pijler’; betaald werk. Het staat zzp’ers vrij om na het bereiken van de AOW-leeftijd gewoon door te werken. Dit roept de vraag op hoe groot het probleem van een tekortschietend pensioen werkelijk is. De groep van zzp’ers is relatief hoog opgeleid, ook in vergelijking met werknemers (CBS, 2025) en gemiddeld gezien welvarend, waarbij de ongelijkheid in inkomens groot is.

Onderzoek van Biesenbeek et al. (2024, p. 21) laat op basis van gemiddelde bruto vervangingsratio’s zien dat zelfstandigen iets meer ongelijkheid kennen - onderste kwartiel iets slechter, mediaan gelijk, en bovenste kwartiel véél beter - dan werknemers[1]. Met enig voorstellingsvermogen kan men in deze vergelijking van pensioenposities het ondernemersrisico terugzien. Of gaat er achter de gemiddelde cijfers toch nog een wereld van ongelijkheid schuil die we over het hoofd zien?

In dit artikel nemen we de pensioenvoorziening van zzp’ers onder de loep door middel van een enquête gehouden onder 1.210 zzp’ers in de periode augustus-oktober 2025[2]. De hoofdvraag is eenvoudig: spaart de zzp’er genoeg voor zijn of haar pensioentijd?

Pensioen-‘vermogen’: rommelig en riskant, maar voor belangrijk deel redelijk

Om de hoofdvraag te beantwoorden hebben we een lijst voorgelegd aan zzp’ers met de vraag over welke bronnen men beschikt om – naast de AOW-uitkering – hun oude dag te financieren. Figuur 1 laat zien dat slechts een klein percentage (6%) aangeeft totaal geen pensioenvoorzieningen hebben, en derhalve geheel moeten terugvallen op een AOW-uitkering. De overgrote meerderheid heeft dus wel een andere vorm van voorziening.

Figuur 1. Genoemde bronnen waarmee zzp’ers hun pensioen (naast AOW) financieren, 2025.

Bron data: NIDI (2025). De cijfers zijn gebaseerd op de vraag: “Welke voorzieningen heeft u voor uw oude dag (naast de AOW)? U kunt meerdere antwoorden invullen.”

 De twee belangrijkste bronnen die de zzp’ers noemen betreffen (1) spaargeld/beleggingen en (2) de pensioenrechten die men in het verleden heeft opgebouwd bij een pensioenfonds toen men nog werknemer was. Die rechten zouden tamelijk omvangrijk kunnen zijn. Een indicatie daarvan blijkt als we de startleeftijd van zzp’ers in het onderzoek betrekken: de mediane startleeftijd is 40 jaar. Als we aannemen dat in geval van hoogopgeleiden men op 25-jarige leeftijd begonnen is met werken, dan heeft men toch 15 dienstjaren aan pensioen opgebouwd. Voor de werknemers die tot het bovenste kwartiel behoren is de startleeftijd als zzp’er 49 jaar, waarmee men niet alleen meer jaren heeft opgebouwd maar ook al in hogere loongroepen is doorgedrongen. Kortom, veel zzp’ers kunnen uitgaan van een gedeeltelijke pensioenopbouw als oud-werknemer.

Op enige afstand van deze twee volgen (3) de waarde van de eigen woning; en (4) derde-pijlerpensioenproducten als banksparen, lijfrenteproducten en (in het verleden gevormde) reserveringen voor een fiscale oudedagsreserve. De cijfers over de omvang van deze pijler lopen in de praktijk uiteen. Volgens het CBS (2025) spaarde in 2023 slechts 9,5% van de zzp’ers structureel via een lijfrenteproduct en dat percentage bedroeg in 2011 nog 13%.

Daarmee is overigens nog niets gezegd over de omvang van deze producten. Werk van Biesenbeek et al. (2024) laat zien dat de derde pensioenpijler over het algemeen in geringe mate wordt benut als additionele pensioenbron. Op basis van de antwoorden van de zzp’ers in ons onderzoek blijkt dat ongeveer een derde van de zzp’ers via deze route spaart, maar de inleg is echter onbekend. Naast deze dominante bronnen wordt het pensioen van de partner vaak genoemd (31%) en een verwachte erfenis (23%). Vrouwen noemen het pensioen van hun partner veel vaker dan mannen. Voor 2025 bijvoorbeeld gaat het om 40% van de vrouwelijke zzp’ers versus 23% van de mannelijke zzp’ers.

Het brede palet aan pensioenvoorzieningen roept de vraag op in hoeverre dit patroon aan pensioenvoorzieningen in figuur 1 geldt voor iedere zzp’er. Om dit te onderzoeken hebben we een latente klasse analyse uitgevoerd (zie bijlage). Hieruit komen twee belangrijke groepen naar voren: een groep zzp’ers die een redelijke spreiding van pensioenbronnen heeft in hun portefeuille (65% van de zzp’ers), en een andere groep die een zeer beperkte spreiding (oude pensioenrechten en spaargeld) heeft (35%).

Zo heeft in de eerste groep een ruime meerderheid zowel spaargeld (84%) als pensioenrechten als oud-werknemer (70%). Daarnaast heeft men nog verschillende andere pensioenbronnen zoals een eigen woning (50%), partnerpensioen (41%), lijfrentes (40%) of verwachte erfenis (33%). De tweede groep van zzp’ers heeft vaak wel pensioen als oud-werknemer (49%) en spaargeld (43%), maar andere pensioenbronnen zijn schaars. Daarmee staan deze zzp’ers aan meer risico’s bloot wanneer een bron niet rendeert of wanneer het langleven-risico niet afgedekt wordt zoals in het geval van opgebouwde spaargelden (vgl. Zwinkels et al. 2019). Alleenstaanden hebben ook een veel hogere kans (52%) om tot deze groep te behoren dan echtparen (32%) of samenwonenden (39%).

Een groep zzp’ers [heeft] een redelijke spreiding van pensioenbronnen in hun portefeuille (65% van de zzp’ers), en een andere groep [heeft] een zeer beperkte spreiding (oude pensioenrechten en spaargeld.

Over de precieze omvang van de bronnen in euro’s kunnen we helaas geen uitsluitsel geven. Er bestaat wel een duidelijk verband tussen deze bronnen, respectievelijk latente klassen en het (zelf gerapporteerde) netto vermogen van huishoudens, maar voor veel van deze bronnen – denk aan verwachte erfenis, het opgebouwde vermogen bij pensioenfondsen van zowel de respondent als de partner – is het niet waarschijnlijk dat respondenten daar een contante waarde aan kunnen plakken. De groep die een redelijke spreiding van bronnen heeft is vaak vermogend tot zeer vermogend, terwijl de groep met een beperkte spreiding van bronnen een meer kwetsbare vermogenspositie heeft.

Voor nu is het belangrijker om te zien welke verwachtingen deze twee groepen hebben over de kwaliteit van hun pensioen. De twee onderscheiden groepen laten duidelijk verschillende pensioenverwachtingen zien, zoals blijkt uit figuur 2. De grote groep zzp’ers (jonger dan 67 jaar) met een redelijke spreiding van bronnen is veel optimistischer over hun financiële positie na de AOW-leeftijd dan degenen met een beperkte spreiding. Van de eerste groep verwacht 67% dat zij bij het bereiken van de AOW-leeftijd een comfortabel pensioen tegemoet kan zien en slechts 14% acht een comfortabel pensioen onwaarschijnlijk. De tweede groep laat een totaal ander, verdeeld beeld zien: 36% acht een comfortabel pensioen waarschijnlijk en eveneens 36% acht het onwaarschijnlijk. Kortom, deze groep zzp’ers is verdeeld en duidelijk minder optimistisch.

Figuur 2. Verwachtingen over kwaliteit pensioen onder zzp’ers (35-66 jaar), naar de mate van spreiding van pensioenbronnen, 2025.

Bron data: NIDI (2025). Noot: De verdeling tussen de groepen zzp’ers met een redelijke en beperkte spreiding van pensioenbronnen is: 35% van de zzp’ers heeft beperkte spreiding en 65% heeft een redelijke spreiding (zie appendix in de kolom).

 

 Eenzelfde beeld komt naar voren als we de vraag voorleggen “Hoe waarschijnlijk acht u het dat u na uw AOW-leeftijd om puur financiële redenen nog moet werken?” De groep die een redelijke spreiding van bronnen heeft acht dit in hoge mate onwaarschijnlijk, maar de andere groep laat wederom onzekerheid over het lot na de AOW-leeftijd zien: 33% acht noodgedwongen doorwerken waarschijnlijk en 37% onwaarschijnlijk.

De AOW-gerechtigde zzp’er en zijn vijfde pijler

De vervolgvraag is logischerwijs: hoe erg is het dat men moet doorwerken? Op dit punt aanbeland moeten we voorzichtiger zijn omdat we de zzp’ers niet in de tijd kunnen volgen. We kunnen op z’n hoogst de zzp’ers observeren die nog werkzaam zijn na hun AOW-leeftijd.

Deze groep zal een mix zijn van werkenden die wellicht tegen heug en meug doorwerken omdat men geen pensioenvoorzieningen heeft en mensen die doorwerken zonder dat daar een financiële noodzaak voor bestaat. Degenen die niet meer werken, al dan niet met een goed pensioen, blijven hier buiten beeld.

Dit selectieprobleem moet in gedachten worden gehouden bij de beschouwing van de resultaten. Zzp’ers die over weinig pensioenvoorzieningen beschikken maken namelijk een grote kans om door te werken na hun AOW-leeftijd. In dat licht is de vraag relevant: wat is de balans tussen werk en pensioen voor de zzp’er die doorwerkt na zijn AOW-leeftijd? De inkomsten uit werk worden in de meeste beschouwingen over een toereikend pensioen niet meegenomen in berekeningen en het is toch relevant om te zien hoe belangrijk deze zogenaamde ‘vijfde pijler’ is voor AOW-gerechtigde zzp’ers. Hierbij letten we zowel op de tijd die men besteedt aan werk, het inkomen dat men daarbij verdient en de drijfveren om langer door te werken.

Het antwoord op de vraag wat de belangrijkste motieven zijn om door te werken na de AOW-leeftijd: [...] het ‘plezier in het werk’ 

De AOW-gerechtigde zzp’er in ons onderzoek is gemiddeld 72 jaar oud en werkt nog gemiddeld 18 uur per week. Ongeveer 40 procent van deze groep verdient minder dan 1.000 euro per maand en twee derde verdient minder dan 2.000 euro. Let wel, dat is een inkomen bovenop het pensioeninkomen. Zestig procent van deze zzp’ers in deze groep heeft een pensioeninkomen (inclusief AOW) van meer dan 2.000 euro per maand. En niet minder dan 53 procent van de AOW-gerechtigde zzp’ers schat in dat zij een netto vermogen van 250.000 euro of meer hebben.

Het antwoord op de vraag wat de belangrijkste motieven zijn om door te werken na de AOW-leeftijd toont figuur 3. De belangrijkste drijvende kracht is het ‘plezier in het werk’ (voor 92% van deze zzp’ers), en het minst belangrijke motief is ‘geld of inkomen’ (19%). Dat laatste percentage komt ook overeen met het antwoord van jongere zzp’ers (zie figuur 2) die ondanks hun redelijke spreiding van pensioenbronnen rekening houden met de mogelijkheid dat zij moeten doorwerken om puur financiële redenen. Toch moet ook enige gezonde scepsis blijven bestaan, het aankruisen van geld als belangrijkste motief zal toch bij sommigen overkomen als falen dat men zijn pensioenzaken niet op orde had.

Figuur 3. Rangschikking motieven van zzp’ers (67 jaar en ouder) om door te werken na de AOW-leeftijd.

Bron data: NIDI (2025). N = 231. De cijfers zijn gebaseerd op de vraag: “Speelden de volgende redenen voor u een rol bij het doorgaan met werken als zzp’er na de AOW-leeftijd? De figuur toont de som van de antwoordcategorieën ‘in zeer hoge mate’ en ‘in hoge mate’.

 Zzp’ers konden overigens meerdere antwoorden geven op de vraag welke motieven een rol speelden en een open vraag is of het ‘plezier in werk’ ook boven komt drijven wanneer men een uitspraak moet doen welk motief het belangrijkste was. Echter, ook in dat geval was ‘plezier in het werk’ voor 43 procent van de zzp’ers de belangrijkste reden om door te gaan. Dat is aanzienlijk meer dan de groep die geld als het belangrijkste motief aangeeft (16%). En ook alternatieve indicaties van de kwaliteit van het werkzame leven geven aan dat de meeste zzp’ers geen spijt hebben van langer doorwerken. Over het algemeen is men zeer tevreden met het leven in het algemeen (9 op een schaal van 0-10). En 27 procent is zo verknocht aan zijn bestaan als zzp’er dat men nooit met werken wil stoppen.

Het enige wat dit werkzame leven in AOW-tijd kan verstoren, is de kans dat men arbeidsongeschikt raakt. Niet alleen verliest men dan een bron van plezier (naar eigen zeggen) maar ook het inkomen uit werk, de zogenoemde vijfde pijler. Er is echter geen mogelijkheid om aanspraak te maken op een arbeidsongeschiktheidsverzekering van overheidswege.

Schieten de pensioenvoorzieningen van zzp’ers nu te kort of niet? De inzichten [...] suggereren niet dat zzp’ers hun pensioen massaal verwaarlozen.

In geval je als AOW-er arbeidsongeschikt wordt dan word je geacht terug te vallen op de AOW-uitkering. Een private verzekeringsmaatschappij zal ook niet snel in dit ‘gat’ in de verzekeringsmarkt springen (tenzij je ‘Harrison Ford’ heet). De meeste verzekeringen kennen een eindleeftijd die gelijk is aan de AOW-leeftijd. Met andere woorden wie te maken krijgt met mankementen moet daar òf mee leren leven als men het werk als zzp’er wil voortzetten òf stoppen. Van de ondervraagde 67-plussers heeft een derde last van een handicap, langdurige ziekte of chronische aandoening. Dit laat zien dat een aanzienlijk deel, ondanks een gebrek, doorwerkt. Daarbij past wel de kanttekening dat de overgrote meerderheid van deze doorwerkende AOW’ers (90%) geen zwaar werk doet en dat 80 procent niet dagelijks te maken heeft met stress of deadlines.

Conclusie

Schieten de pensioenvoorzieningen van zzp’ers nu te kort of niet? De inzichten gebaseerd op registerdata, zoals Biesenbeek et al. (2024) als ook de zelf gerapporteerde voorzieningen in dit onderzoek, suggereren niet dat zzp’ers hun pensioen massaal verwaarlozen. In veel opzichten zou men kunnen stellen dat het probleem van werknemers die te maken hebben met witte en grijze vlekken in hun pensioenopbouw een veel serieuzer en groter probleem is omdat zzp’ers laten zien dat zij voor hun pensioen sparen, terwijl sommige werknemers te maken kunnen krijgen met ‘grijze vlekken’ in hun pensioenopbouw: men denkt goed pensioen op te bouwen dat in werkelijkheid niet veel voorstelt (cf. AFM, 2023).

Het zou te ver gaan om te stellen dat de pensioenpraktijk van zzp’ers geen risico’s kent. Op basis van onze analyse heeft ongeveer een derde van de zzp’ers een wankele pensioenbasis: een zeer beperkte spreiding van pensioenbronnen, waarbij vooral de sterke nadruk op vrije besparingen deze groep zzp’ers kwetsbaar maakt voor het langleven-risico. Uit eigen recent onderzoek weten we dat onderschatting van de eigen levensverwachting groot is, in het bijzonder voor hoogopgeleiden (van Dalen en Henkens, 2026).

Dit risico is niet denkbeeldig. Deels wordt dit ondervangen voor zzp’ers die kunnen leunen op (oude) pensioenrechten onder beheer van pensioenfondsen. Maar voor zzp’ers die grotendeels dit soort bronnen ontberen is dit een ongedekt risico. Tegelijk maakt dit ook duidelijk hoe belangrijk een robuuste AOW-verzekering is als vangnet voor de zzp’ers.

Wat blijft is de vraag of en hoe pensioensparen bij zzp’ers gestimuleerd kan/moet worden met het oog op een ‘goed’ pensioen. Is een pensioenverplichtstelling dan wel het meest geëigende instrument? Het idee om pensioensparen door zzp’ers te verplichten komt overgewaaid uit Scandinavische landen als IJsland en Finland. Echter, daar ontbreekt een gelijke vorm van overheidspensioen zoals vormgegeven in Nederland door middel van de AOW. De verplichtstelling in IJsland en Finland voor zelfstandigen is vooral ingegeven om te voorkomen dat zzp’ers op hun oude dag een te groot beroep doen op de belastingbetaler, als zij zelf niets gespaard hebben. Het publieke pensioen houdt namelijk rekening met de aanvullende pensioenmiddelen waarover men beschikt (d.i. ‘means-tested’).

Dit verschilt aanmerkelijk met een volksverzekering als de AOW waarbij iedere AOW-gerechtigde hetzelfde bedrag tegemoet kan zien, los van de andere pensioenbronnen waar men over kan beschikken. De verplichtstellingssituatie in IJsland en Finland is daarmee niet goed vergelijkbaar met de Nederlandse situatie waarin de AOW een solide basis vormt ter voorkoming van armoede. In dat licht lijkt een pensioenverplichtstelling een overbodige ingreep die de spelregels voor individueel ondernemen alleen maar complexer maken.

Dit onderzoek is medegefinancierd door Netspar in het kader van het project ‘Zzp’ers en de kwaliteit van hun pensioen.’

Voetnoten


[1] Als je alle vermogensbronnen in ogenschouw neemt en niet enkel kijkt naar pensioen uit de tweede of derde pijler, dus ook wat Biesenbeek et al. (2024, tabel 6, p. 22) de eerste tot en met de vierde pijler, privaat vermogen noemen.
 
[2] Veldwerk uitgevoerd door onderzoeksbureau Verian.
 
 

Referenties

AFM (2023), Verkenning grijze vlek binnen DC-regelingen, AFM, Amsterdam.

Biesenbeek, C., J. Been, K. Caminada en K. Goudswaard (2024), Retirement savings adequacy in the Netherlands, DNB analysis, Amsterdam.

Biesenbeek, C., Heerma van Voss, B. en M. Mastrogiacomo (2022), Werkenden zonder pensioenopbouw, Occasional Studies, 20-3, DNB, Amsterdam.

Biesenbeek, C., et al. (2022), Werkenden met tekortschietend pensioen. Occassional Studie 05/2022, Netspar, Tilburg.

CBS (2025), Hebben zzp’ers een voorziening voor arbeidsongeschiktheid of pensioen? CBS, online.

CBS (2025), Wie zijn de zzp’ers?, CBS, online.

CBS (2024), Hoeveel verdienen zzp'ers en hoeveel vermogen hebben ze?, online CBS.

Dalen, H.P. van, M. Damman en K. Henkens (2022), De verweesde zzp’er in pensioenland, Me Judice, 31 mei 2022.

Dalen, H.P. van en K. Henkens (2026), Nederlanders onderschatten hun levensverwachting, ESB, 111(4854), pp. 75-77.

Dalen, H.P. van, en K. Henkens (2024), De grijze vlek in het aanvullend pensioen: een vertrouwenscrisis in wording?, Tijdschrift voor Pensioenvraagstukken, juni 2024, no. 3, 5-11.

Dalen, H.P. van, K. Henkens, W. Conen en J. Schippers (2015), Weinig behoefte aan collectieve pensioenregeling voor zzp’ers, ESB, 100 (4715), 468-470.

Hershey, D. A., H.P. van Dalen, W. Conen, en .K. Henkens (2017), Are “voluntary” self-employed better prepared for retirement than “forced” self-employed? Work, Aging and Retirement, 3(3), 243-256.

Tweede Kamer der Staten-Generaal (2025), Toekomst pensioenstelsel, 32043, no. 690, vergaderjaar 2025-2026.

Zwinkels, W., Goudswaard, K., Been, J., Caminada, K., en M. Knoef, (2017), Zelfstandigen zonder pensioen?, ESB, 102(4750), 254-256.

Te citeren als

Harry van Dalen, Kène Henkens, “Hoe groot is het probleem van het tekortschietende pensioen van zzp’ers nou echt?”, Me Judice, 13 april 2026.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

Afbeelding
Door ''Luke Roberts''

Downloads

Ontvang updates via e-mail