AI maakt ons productiever - maar niet per se welvarender

AI maakt ons productiever - maar niet per se welvarender image

Door ''Christiaan Colen''.

Vandaag

De auteurs van het in 2023 verschenen boek Power and Progress: Our Thousand-Year Struggle Over Technology and Prosperity stellen een fundamentele vraag: leidt technologische innovatie automatisch tot gedeelde welvaart? Dit artikel belicht technologie, macht en de toekomst van arbeid volgens Acemoglu en Johnson.

De productivity bandwagon

In het publieke debat wordt technologische innovatie vaak gezien als de motor van economische groei en maatschappelijke vooruitgang. In Power and Progress: Our Thousand-Year Struggle Over Technology and Prosperity (2023) betogen Acemoglu en Johnson echter dat dit beeld te simplistisch is. Aan de hand van historische voorbeelden leggen zij uit dat technologische vooruitgang niet automatisch leidt tot gedeelde welvaart. De verdeling van deze opbrengsten hangt volgens hen af van machtsverhoudingen en instituties.  

Technologische vooruitgang [leidt] niet automatisch tot gedeelde welvaart. De verdeling van deze opbrengsten hangt volgens hen af van machtsverhoudingen en instituties.  

Een belangrijk uitgangspunt van Power and Progress is de kritiek die de auteurs hebben op de Productivity Bandwagon (zie figuur 1). De traditionele economische theorie beschouwt technologische vooruitgang als een proces dat uiteindelijk iedereen ten goede komt. Technologische innovatie verhoogt de productiviteit van bedrijven. Hierdoor zijn zij in staat om goedkoper te produceren, hetgeen leidt tot een grotere afzet en hogere winsten. Deze hogere afzet leidt weer tot een hogere vraag naar arbeid om de markt te bedienen. Dit zorgt uiteindelijk voor hogere lonen, hetgeen zorgt voor een toename van de welvaart voor iedereen. Via deze weg worden de opbrengsten van technologische innovatie breed in de samenleving gedeeld.

Figuur 1. De productivity bandwagon.

 

De periode tussen (ruwweg) 1950 – 1980  is een empirische validatie van de productivity bandwagon. Autofabrikanten als Ford en Chrysler moderniseerden hun bedrijfsvoering met de nieuwste technologie. Hierdoor steeg de productiviteit, de winsten van autofabrikanten en de lonen van werknemers. Kortom; technologische innovatie zorgt ervoor dat iedereen erop vooruitgaat.  

Beperkingen van de productivity bandwagon

Hoewel deze redenering in sommige gevallen inderdaad opgaat, berust zij wel op twee cruciale aannames. De eerste aanname is dat een stijging van de productiviteit zich vertaalt naar een grotere vraag naar arbeid. Dit is niet per se het geval. Productiviteitsgroei hoeft namelijk niet te betekenen dat arbeid productiever wordt. Technologische innovatie kan er ook toe leiden dat vooral kapitaal efficiënter wordt ingezet, zonder dat de vraag naar arbeid stijgt.[1] Daarmee leidt een stijging van de productiviteit wel tot een toename van de winst, maar niet tot een stijging van de vraag naar arbeid.

Ten tweede hoeft een stijging van de vraag naar arbeid niet te leiden tot hogere lonen. Op het moment dat markten imperfect zijn, zijn er economische rents (surplussen) te verdelen. Of (een deel van) deze rents naar werkenden gaan, hangt af van macht die de productiefactor arbeid heeft binnen de instituties (bijvoorbeeld invloed van vakbonden, red.). Als zij buiten spel staan, is de kans klein dat werkenden van technologische vooruitgang profiteren.

Productiviteitsgroei hoeft namelijk niet te betekenen dat arbeid productiever wordt. Technologische innovatie kan er ook toe leiden dat vooral kapitaal efficiënter wordt ingezet, zonder dat de vraag naar arbeid stijgt.

De auteurs illustreren dit met enkele voorbeelden. Ik beperk mij er hier tot twee. Het eerste voorbeeld betreft de middeleeuwen. Hoewel dit tijdperk bekend staat als de Dark Ages, steeg de productiviteit in deze periode met 20 procent.[2] Het merendeel van deze productiviteitswinst ging echter naar de kerk. Hierdoor zag 90 procent van de bevolking geen stijging van het inkomen.

Een tweede voorbeeld laat zien dat dit anders kan. In de periode 1900-1980 werden instituties gevormd die de positie van werknemers verbeterden. De invoering van algemeen kiesrecht, het reguleren van de marktmacht van werkgevers en de opkomst van vakbonden zorgden ervoor dat de werkenden actief invloed kregen in de politiek en in loononderhandelingen. Ook de opkomst van de sociale zekerheid versterkte de positie van arbeiders. Hierdoor konden werkenden gedurende een periode zonder werk in hun levensonderhoud voorzien. Deze combinatie van factoren zorgde ervoor dat de onderhandelingspositie van werkenden sterker werd, de lonen stegen en er een middenklasse ontstond. Beide voorbeelden illustreren hoe instituties een rol spelen in hoe de welvaart van technologische vooruitgang (niet) verdeeld wordt.

Instituties, macht en technologie

De auteurs brengen deze analyse een stap verder door te stellen dat instituties en politieke keuzes ook mede bepalen of technologische innovatie doorbreekt. Technologische innovatie vindt immers niet plaats in een vacuüm. Bedrijven, politieke elites en andere maatschappelijke actoren hebben invloed en belang bij het slagen of mislukken van bepaalde innovaties. Technologie is namelijk ook een middel dat de belangen – en daarmee de macht – van bepaalde groepen kan versterken of verminderen.

Instituties [bepalen] niet alleen of technologische innovatie plaatsvindt, maar ook welke vormen van technologie worden ontwikkeld en toegepast. Politieke en economische elites hebben immers belang bij technologische ontwikkelingen die hun positie versterken.

Dit impliceert dat technologische vooruitgang niet per se in het algemeen belang plaatsvindt. In het verleden zijn daar ook genoeg voorbeelden van aan te wijzen. Volgens Acemoglu en Johnson speelde de institutionele ontwikkeling na de Glorious Revolution een belangrijke rol bij het mogelijk maken van industrialisatie. Dit plaatste de macht in de handen van een parlement (in plaats van een monarchie) dat belang had bij het maken van een efficiëntieslag. Daardoor kon de industriële revolutie in Engeland plaatsvinden. Met andere woorden: doordat de instituties het belang van industrialisatie inzagen, kon deze ontwikkeling worden doorgezet en konden protesten ertegen (zoals die van de Ludditen) worden onderdrukt. Het bewind in andere Europese landen (Oostenrijk-Hongarije, het Ottomaanse rijk) daarentegen hield de opkomst van de industrialisatie soms effectief tegen. Zij waren bang voor onrust onder de bevolking door baanverlies. De kans op onrust vormde een te grote bedreiging voor hun eigen machtspositie.

Dit voorbeeld illustreert dat instituties niet alleen bepalen of technologische innovatie plaatsvindt, maar ook welke vormen van technologie worden ontwikkeld en toegepast. Politieke en economische elites hebben immers belang bij technologische ontwikkelingen die hun positie versterken. Hierdoor is de richting van technologische vooruitgang geen neutraal proces. Afhankelijk van de machtsverhoudingen binnen een samenleving kan technologische innovatie zich ontwikkelen op een manier die arbeid versterkt of juist vervangt.

De richting van technologische innovatie is daarom cruciaal. Als technologie arbeidsbesparend is, verhoogt dit niet alleen de productiviteit, maar verlaagt dit ook de vraag naar arbeid. Hierdoor daalt de macht van werkenden, hetgeen tot (politieke) ontevredenheid en onrust kan leiden.  Arbeidsaanvullende technologie verhoogt daarentegen zowel de productiviteit als de vraag naar arbeid. De macht van werkenden neemt bij arbeidsaanvullende technologische innovaties juist toe.

Kunstmatige intelligentie, arbeid en instituties

Een deel van het boek richt zich op de mogelijke gevolgen van nieuwe digitale technologieën, met name kunstmatige intelligentie (AI). Digitale platforms, algoritmisch management en automatisering zijn in staat om de onderhandelingspositie van werknemers te verzwakken doordat zij toezicht op arbeid intensiveren en de vervangbaarheid van werknemers vergroten. Hierdoor kan de machtsbalans tussen arbeid en kapitaal verder verschuiven ten gunste van bedrijven.

Volgens Acemoglu en Johnson staat de samenleving daarmee voor een belangrijke keuze. Het is mogelijk om kunstmatige intelligentie te ontwikkelen op een manier die arbeid vervangt of juist om de productiviteit van werknemers te vergroten. Welke richting uiteindelijk dominant wordt, hangt volgens de auteurs af van institutionele keuzes en beleidsbeslissingen.

Digitale platforms, algoritmisch management en automatisering zijn in staat om de onderhandelingspositie van werknemers te verzwakken doordat zij toezicht op arbeid intensiveren en de vervangbaarheid van werknemers vergroten.

Deze keuzes hebben niet alleen gevolgen voor de arbeidsmarkt, maar ook voor de verdeling van economische en politieke macht. De concentratie van technologische capaciteit en data bij een beperkt aantal grote technologiebedrijven leiden tot nieuwe vormen van economische en politieke macht. Digitale technologieën maken het eenvoudig om grote hoeveelheden informatie te produceren en te verspreiden. Door de opkomst van generatieve AI is het bovendien steeds moeilijker om echte informatie te onderscheiden van gemanipuleerde of volledig verzonnen content. Dit kan leiden tot een toename van desinformatie en nepnieuws, hetgeen het publieke debat verder polariseert. Wanneer burgers hierdoor het vertrouwen verliezen in de betrouwbaarheid van informatie, kan dit het functioneren van (democratische) instituties verder ondermijnen. Hierdoor wordt het moeilijker om beleid te voeren dat ervoor zorgt dat de opbrengsten van technologische vooruitgang breed worden gedeeld. Ook langs deze weg kan kunstmatige intelligentie dus bijdragen aan een schevere verdeling van welvaart.

Institutionele hervormingen en tegenmacht

Volgens Acemoglu en Johnson vereist een eerlijkere verdeling van de opbrengsten van technologische vooruitgang een versterking van instituties.

In de huidige technologische economie beschikken grote technologiebedrijven over aanzienlijke controle over data, infrastructuur en innovatieprocessen. Hierdoor kunnen zij in belangrijke mate bepalen hoe nieuwe technologieën worden ontwikkeld en toegepast. Deze concentratie van macht kan leiden tot technologische trajecten die primair gericht zijn op kostenreductie en automatisering (in plaats van op het versterken van menselijke arbeid). Om deze dynamiek te doorbreken, pleiten de auteurs voor beleid dat de positie van werknemers versterkt. Dit omvat onder meer sterkere arbeidsmarktinstituties, nieuwe vormen van collectieve vertegenwoordiging voor werknemers, het aanpakken van nepnieuws en mededingingsbeleid dat monopolievorming tegengaat. Hierdoor kan voorkomen worden dat technologische vooruitgang uitsluitend ten goede komt aan een beperkte groep bedrijven en kapitaalbezitters.

Naast institutionele hervormingen benadrukken Acemoglu en Johnson het belang van het actief sturen van technologische innovatie. Volgens hen wordt vaak aangenomen dat de richting van technologische ontwikkeling grotendeels buiten instituties om wordt bepaald. De auteurs betogen dat overheden en publieke instituties historisch gezien hierin een belangrijke rol hebben gespeeld. Daarom pleiten zij voor een innovatiebeleid dat expliciet gericht is op het bevorderen van technologieën die menselijke arbeid aanvullen in plaats van vervangen. Dit kan bijvoorbeeld door publieke investeringen in onderzoek en ontwikkeling te richten op zogenoemde arbeidsversterkende technologieën.

Naast institutionele hervormingen benadrukken Acemoglu en Johnson het belang van het actief sturen van technologische innovatie. 

Daarnaast is het mogelijk om beleid te richten op het creëren van prikkels voor bedrijven om technologie te ontwikkelen die samenwerking tussen mens en machine bevordert. Volgens Acemoglu en Johnson kan een dergelijke heroriëntatie van innovatiebeleid bijdragen aan een technologische ontwikkeling die niet alleen economische groei stimuleert, maar ook leidt tot een bredere en eerlijkere verdeling van welvaart.

Conclusie

Power and Progress biedt een belangrijke bijdrage aan het debat over technologische vooruitgang en economische ongelijkheid. Door de nadruk te leggen op de rol van macht en instituties laten Acemoglu en Johnson zien dat technologische innovatie niet automatisch leidt tot gedeelde welvaart.

Het boek benadrukt dat economische uitkomsten niet alleen worden bepaald door technologische mogelijkheden, maar ook door politieke keuzes en institutionele structuren. Hierdoor biedt het een alternatief perspectief op technologische vooruitgang dat verder gaat dan de traditionele economische visie van de productivity bandwagon of het human capital model.

Door historische analyse te combineren met hedendaagse beleidsvraagstukken laat Power and Progress zien dat de relatie tussen technologie en welvaart complex is. Het boek nodigt daarmee uit tot een heroverweging van de rol van beleid en instituties in een tijdperk van AI en beperkte loongroei.

Voetnoten


[1] Ter illustratie: stel dat een bedrijf produceert met een stel supercomputers en een bewaker om deze hardware te bewaren. Op het moment dat de supercomputers vier keer zo snel worden, stijgt de productiviteit. De marginale productiviteit arbeid – in dit geval de bewaker – verandert niet.
 
[2] Dit kwam onder andere door de uitvinding van het drieslagstelsel, hetgeen de opbrengsten van de landbouw vermeerderden.

Referenties

Acemoglu, D., & Johnson, S. (2023). Power and progress: Our thousand-year struggle over technology and prosperity. PublicAffairs.

Te citeren als

Albert Rutten, “AI maakt ons productiever - maar niet per se welvarender”, Me Judice, 23 maart 2026.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

Afbeelding

Door ''Christiaan Colen''.

Ontvang updates via e-mail