De economie van de huisarts
Mijn partner is 25 jaar huisarts geweest. Dat deed ze met inzet en overgave. Dat betekende lange werkdagen, avond- en weekenddiensten, en zelfs langs de lijn bij de voetbal vragen beantwoorden over gezondheidsproblemen. Maar daar stond veel tegenover: ze genoot van het vak, van de rol die ze speelde. Al op jonge leeftijd was ze geïnspireerd geraakt door het verhaal van Albert Schweitzer. Artsen hebben een beroepseer, die al door Hippocrates verwoord werd, waarin dienstbaarheid centraal staat.
Dergelijk gedrag is niet vanzelfsprekend. In de Verenigde Staten spelen commerciële motieven een grotere rol in de gezondheidszorg. Waar dat toe leidt laat een prachtige grafiek zien die gemaakt is door de website Our World in Data. Daarin is te zien dat de kosten van de gezondheidszorg in de VS veel sterker gestegen zijn dan in de rest van de Westerse wereld. De levensverwachting is daarentegen veel minder toegenomen dan in Nederland of Japan en stagneert zelfs de laatste tien jaar. Dat komt ook door de grote ongelijkheid in de VS, waardoor de armen geen toegang hebben tot goede zorg. De conclusie dringt zich op dat de zorg in de VS, door het grote gewicht van de commercie, minder efficiënt is. Verslaving aan medicijnen is een groot probleem, iets wat in Europa nauwelijks voorkomt. Het systeem is erop gericht zoveel mogelijk dure handelingen te verrichten, omdat de arts daar beter van wordt. Kenmerkend is dat de ‘dienende’ eerste lijn van huisartsen in de VS niet bestaat.

Instituties die de samenleving vormgeven
De professionele beroepseer van de arts is een voorbeeld van wat we een ‘institutie’ noemen, een regel van het maatschappelijke spel die de samenleving mogelijk maakt. Als je bij elk consult een arts geld moet toestoppen om de noodzakelijke ingrepen of medicijnen te krijgen, dan werkt de zorg niet goed. Je kan de arts in zo’n geval niet kan vertrouwen. Om een moderne markteconomie te laten functioneren is er vertrouwen nodig, en daarvoor zijn instituties ontwikkeld die vertrouwenwekkend gedrag bevorderen. Artsen zijn niet de enige beroepsgroep met sterke waarden en normen. De leraar, de advocaat, de dominee, de professor, de ambtenaar en de politieagent ontlenen hun identiteit in hoge mate aan hun beroep en zijn vaak bereid om die extra stap te doen die nodig is voor de cliënt.
Ons maatschappelijk kapitaal
|
| Eerder riepen we op Me Judice op input aan te leveren voor het boek dat economisch-historicus Jan Luiten van Zanden aan het schrijven was over Nederland tussen 1980 en 2020. Dit resulteerde uiteindelijk in het boek ‘Ons Maatschappelijk Kapitaal’ dat recent bij Prometheus verscheen. Dit artikel is een samenvatting van het boek, dat een diagnose geeft van de economische stand van zaken anno nu. |
Burgerschap is een minstens even belangrijke ‘zachte’ institutie. Het is in feite een impliciet contract tussen de staat en haar inwoners dat overheid de belangen van de burgers zal bevorderen, terwijl de burgers dit mogelijk zullen maken door eerlijke belastingen te betalen, en op allerlei andere manieren – waaronder desnoods de inzet van lijf en leden – de natie te verdedigen. Goede burgers gaan stemmen (of liever nog, zijn politiek actief), delen hun overvloed met minder bedeelde burgers, en zetten zich op allerlei andere manieren in voor het ‘gemene goed’. Burgerschap is de smeerolie van de open samenleving, noodzakelijk voor het goed functioneren ervan.
Economisch-historici zijn de laatste decennia gaan graven naar deze instituties die van invloed zijn op alle onderdelen van de samenleving. De parlementaire democratie, het bedrijfsleven, maar ook huishouden en familie, en de internationale omgang van staten met elkaar – overal komen we instituties tegen die gedrag regelen en daardoor samenwerking mogelijk maken. Deze regels zijn veelal in het verre verleden ontstaan.
Inclusieve instituties [zijn] de voorwaarde voor economische en politieke ontwikkeling. Instituties die met dwang en geweld gepaard gingen, zoals de slavernij, hebben juist negatieve lange-termijn gevolgen.
Al in 1215 accepteerde de Katholieke Kerk bijvoorbeeld het op basis van consensus gesloten huwelijk, en de eerste op verhandelbare aandelen gebaseerde onderneming is volgens velen de VOC van 1602. Volgens Nobelprijswinnaar Daron Acemoglu zijn inclusieve instituties, die mensen de mogelijkheden gaven om zich te ontplooien, de voorwaarde voor economische en politieke ontwikkeling. Instituties die met dwang en geweld gepaard gingen, zoals de slavernij, hebben juist negatieve lange-termijn gevolgen. Een andere belangrijke conclusie is dat politieke en economische ongelijkheid de kwaliteit van instituties ondergraaft.
De instituties van een samenleving bepalen dus in hoge mate hoe samen geleefd wordt. De kwaliteit van de economie – staat deze bijvoorbeeld toe dat vernieuwend ondernemerschap ruim baan krijgt, of beperkt het de economische mogelijkheden van bijvoorbeeld vrouwen of minderheden – wordt hierdoor bepaald. Ik heb het totaal aan instituties van een samenleving het ‘maatschappelijk kapitaal’ genoemd. Dit is volgens invloedrijke economen als Daron Acemoglu en Joel Mokyr de werkelijke bron van de grote verschillen in ontwikkelingsniveau tussen landen: Finland is heel anders georganiseerd dan het aanpalende Rusland, en dat heeft dramatische gevolgen.
De babyboomers en het neoliberalisme
Tegen deze achtergrond ben ik gaan kijken naar de ontwikkeling van Nederland tussen 1980 en 2020. Is ons maatschappelijk kapitaal vooruit gegaan, of juist sterk aan erosie onderhevig? Alle instituties bestuderen is een onmogelijke opgave, dus heb ik me beperkt tot een aantal onderwerpen: staat en welvaartsstaat, het bedrijfsleven, de transitie richting duurzaamheid, en het proces van Europese integratie. Er kunnen twee grote drijvende krachten onderscheiden worden.
Ten eerste is daar de invloed van de babyboomers van de jaren zestig, die met nieuwe ideeën en idealen, ontstaan in dat ‘revolutionaire’ decennium, de wereld vorm trachten te geven. De belangrijkste erfenissen van de jaren zestig zijn de emancipatie van de vrouw, die in Nederland wel heel erg op achterstand gezet was, en de sterk gegroeide aandacht voor natuur en milieu, onder meer leidend tot de wens de energie-economie te verduurzamen door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen.
De tweede oorzaak van de veranderingen in het institutioneel kapitaal is de opmars van het neoliberalisme, dat ontstaat als politieke stroming die niet alleen een reactie is op de crisis van de jaren zeventig, maar tevens een programma heeft voor radicale veranderingen in de instituties van de economie, gericht op het terugdringen van de staat en het meer ruimte geven aan de vrije markt.
Tegen deze achtergrond ben ik gaan kijken naar de ontwikkeling van Nederland tussen 1980 en 2020. Is ons maatschappelijk kapitaal vooruit gegaan, of juist sterk aan erosie onderhevig?
Wat is er met het maatschappelijk kapitaal in de verschillende domeinen gebeurd? Dit zijn stuk voor stuk complexe verhalen, die ik nu in enkele zinnen probeer samen te vatten. Om met het goede nieuws te beginnen: de emancipatie van de vrouw, en daarmee enigszins vergelijkbaar, van homoseksuelen of wat nu de LHBTI+ heet, is misschien we de belangrijkste institutionele verandering van deze periode, met grote winst aan welzijn voor vrouwen en mannen. De waardering van natuur en milieu, serieus begonnen in de jaren zestig, is in potentie even radicaal. Maar de impact van laatstgenoemde is tot nu nog beperkt.
Dat de staat zich moet herpakken speelt in nog sterkere mate voor het Europese project, de vorming van een Europese staat, dat zich de afgelopen jaren heeft laten afleiden door het neoliberale project van de EMU. Dit heeft echter juist voor een tweedeling van de EU - en nog meer problemen - gezorgd.
Het boek ‘Ons Maatschappelijk Kapitaal’
In de hoofdstukken 4 tot 9 van het boek ga ik verschillende domeinen langs om de veranderingen tussen 1980 en 2020 te analyseren. Hoofdstuk 4 handelt over de crisis van de staat, die steeds verder om zich heen grijpt. De staat is de ultieme hoeder en manager van het maatschappelijk kapitaal, maar lijkt steeds minder capabel om deze rol effectief te spelen. De feitelijks krimp van de overheid (als aandeel in het nationaal inkomen) en vooral de ideologische ondermijning van de staat door het neoliberalisme, zijn hier in hoge mate verantwoordelijk voor.
Ideologisch zat de staat vanaf de jaren 1980 in de hoek waar de klappen vallen. De boodschap van het neoliberalisme was dat de staat zich moest terugtrekken en dan zou de markteconomie vanzelf voor dynamiek en innovatie zorgen. De krimp die heeft plaatsgevonden is ten koste gegaan van de kwaliteit van het overheidsoptreden. Dergelijke problemen doen zich voor bij onderwijs, defensie, justitie, landbouw en ga zo maar door. Een sterke staat is nodig om deze problemen het hoofd te bieden, en om de nodige hervormingen – verbeteringen van ons maatschappelijk kapitaal – mogelijk te maken.
De staat is de ultieme hoeder en manager van het maatschappelijk kapitaal, maar lijkt steeds minder capabel om deze rol effectief te spelen.
Hoofdstuk 5 gaat over de welvaartsstaat, en vooral de garantie die de overheid alle ingezetenen volgens de Grondwet biedt op ‘voldoende inkomen’. Dit werd vanaf 1980 ingevuld door het invoeren van allerlei toeslagen voor specifieke bevolkingsgroepen. De koopkrachtplaatjes speelden daarbij een centrale rol. Met weinig middelen werd gepoogd de koopkracht van de minima te stabiliseren. Maar het inkomen dat zo gegarandeerd werd, bleef achter bij de groei van de welvaart. En het steeds ingewikkelder worden van het toeslagensysteem zorgde voor veel frustratie en vervreemding van de overheid. Die ook nog eens steeds bureaucratischer werd.
Hoofdstuk 6 bespreekt de ontwikkeling van het bedrijfsleven. De paradox die daar geschetst wordt is dat de winstgevendheid van het bedrijfsleven na de dip rond 1980 sterk hersteld is – maar dat dat niet leidt tot meer investeringen, R&D en economische groei. Die groei is zelfs afgenomen. Voor 1973 was 3 tot 5% normaal, nu mogen wel blij zijn met 1%. Dit wordt veroorzaakt door de toenemende invloed van de (korte termijn) aandeelhouderswaarde als centraal doel van het bedrijfsleven, waardoor bijvoorbeeld steeds meer winst niet wordt geïnvesteerd maar gebruikt wordt om aandelen in te kopen. Ook de relatief lage lonen en de flexibele arbeidsmarkt zorgen ervoor dat de prikkel om nieuwe, arbeidsbesparende technologie te ontwikkelen en toe te passen ontbreekt. Dit alles leidt tot ‘seculaire stagnatie’, en de trage economische groei betekent ook dat er op politiek vlak meer scherpe keuzes gemaakt moeten worden.
Hoofdstuk 7 wil de balans opmaken van de digitale revolutie die vanaf de jaren 1980 economie en samenleving diepgaand veranderd heeft. De speciale technologie, digitale producten zijn vrijwel kosteloos te kopiëren en de verspreiding ervan gaat met de snelheid van het licht, en het feit dat de overheid zich vrijwel niet bemoeide met de transitie naar het digitale tijdperk, heeft ervoor gezorgd dat een soort ‘Wilde Westen’ is ontstaan, waarin het ongeremde kapitalisme domineert. De in de jaren zestig verankerde voorkeur voor gratis diensten maakte het noodzakelijk om een bedrijfsmodel te ontwikkelen waarin de waarde van data een belangrijke rol speelde. Grote techbedrijven bouwden sterke machtsposities op. De positieve waardering van de IT-revolutie uit de beginjaren maakte plaats voor een veel meer kritische beoordeling ervan, waarin de negatieve (bij)effecten – stress, verslaving – steeds sterker worden.
Hoofdstuk 8 bespreekt de moeizame transitie richting grotere duurzaamheid en zoomt in op de veranderingen in de energie-economie en de emissies van broeikasgassen. Er blijkt tot 2020 weinig vooruitgang te zijn geboekt. Twee oorzaken worden onderzocht. Ten eerste de gebrekkige steun voor deze transitie onder de bevolking, die leidt tot een golfbeweging in de aandacht voor milieu en klimaat, en in het niet doorbreken van een meer milieubewuste levensstijl/consumptiepakket. Ten tweede de weerstand die groepen met tegengestelde belangen biedt, waarbij ze erin slagen om radicale beleidsopties van tafel te krijgen. Veel wordt overgelaten aan vrijblijvende convenanten en beleid bestond uit het verlenen van subsidies (die meestal weer afliepen) in plaats van duurzame wetgeving.
Er is dus veel mis gegaan. Het maatschappelijk kapitaal van Nederland is duidelijk aan erosie onderhevig geweest. We staan er niet bepaald florissant bij.
Hoofdstuk 9 gaat in op de Europese dimensie van dit verhaal. Eerst wordt aandacht besteed aan de effecten van de euro en de EMU, de Europese Monetaire Unie. Deze blijken over het algemeen negatief te zijn geweest: de EMU splitste de EU in twee delen, speelde een rol bij de Brexit, leidde niet tot een versterkte economische integratie, en leidde de aandacht af van belangrijker werk gericht op de verdere versterking van het Europese project. En dan hebben we het nog niet gehad over de Eurocrisis van 2010-2012, wat vooral Griekenland langdurig op achterstand zette. De samenwerking in het Europese project werd niet versterkt door de EMU, waardoor de EU nu de kracht lijkt te missen om in de nieuwe, post-Navo wereld een sterk machtsblok te vormen.
De erosie van ons maatschappelijke kapitaal
Er is dus veel mis gegaan. Het maatschappelijk kapitaal van Nederland is duidelijk aan erosie onderhevig geweest. We staan er niet bepaald florissant bij. De crisis van de staat en de zelfgenoegzame economie zijn daar de duidelijkste tekenen van. Het neoliberalisme speelde daarin een belangrijke rol. De EMU was een neoliberaal project met het doel het economisch beleid en vooral de begrotingspolitiek van de leden van de EU te disciplineren. De verzwakking van de staat werd ideologisch door het neoliberalisme geïnspireerd.
Het ‘Wilde Westen’ van de IT-revolutie was deels een gevolg van de (neoliberale) weerstanden om deze nieuwe maatschappelijke infrastructuur te reguleren – met alle gevolgen van dien. Maar de babyboomers lieten het afweten bij de transitie naar grotere duurzaamheid (wat sowieso geen neoliberaal project was), en verwaarloosden eveneens de erfenis van de jaren zestig en zeventig, de welvaartsstaat. En aan de basis van de opkomst van het internet stond het (jaren zestig) idee dat deze diensten gratis moesten zijn, wat helemaal verkeerd uitgepakt is.
Het is natuurlijk vooral de vraag: hoe keren we het tij? Hoe repareren we de geschonden delen van ons maatschappelijk kapitaal en hoe kunnen we in verbeteringen investeren? In de conclusie van het boek wordt hier verder op ingegaan.