Economie in de ban door corona

Economie in de ban door corona image
Afbeelding 'Economy' door 'Duchamp'

Vooralsnog blijft de beleidsreactie op het coronavirus in tal van landen eendimensionaal en wordt deze nu feitelijk uitsluitend overgelaten aan medisch geschoolde experts. Het financieel-economisch beleid beperkt zich vooralsnog tot kortdurende maatregelen in de kennelijke verwachting dat het virus snel zal overwaaien en de economie dientengevolge zal terugveren naar pre-corona niveaus. Dat het IMF parallellen trekt met de Grote Depressie mag hopelijk leiden tot snel veranderende beleidsinzichten, aldus voormalig directeur CPB Peter de Ridder.   

Inleiding

Het coronavirus waart rond over de wereld. In de meeste landen is ten gevolge van het lockdown beleid, al of niet intelligent, het leven vrijwel tot stilstand gekomen. Naar de mate waarin de lockdowns langer duren zal de economie dieper wegglijden, zal dientengevolge het herstel langer op zich laten wachten en zal het welvaartsverlies in termen van gemist BNP groter en permanenter zijn. Een herhaling van de jaren dertig van de vorige eeuw, weliswaar om andere redenen, ligt op de loer. Het I.M.F. spreekt al over de “Great Lockdown Recession”, een economische terugval derhalve in gang gezet door beleid om het coronavirus te beteugelen. Inmiddels houdt de ECB rekening met een krimp voor de Eurozone van tussen 5 en 12%.

Deze uiterst sombere economische vooruitzichten vormen de aanleiding om in deze bijdrage eerst een stap terug te zetten. Aan de hand van een eenvoudig epidemiologisch model wordt aandacht geschonken aan de mechanismes die verspreiding van een virus bepalen. Dit model biedt tevens een kader om het tot dusverre gevoerde corona-beleid te begrijpen als ook te beoordelen. Na dit uitstapje buiten het vakgebied van de econoom wordt ingegaan op de mogelijke scenario’s die in financieel-economisch opzicht zich zouden kunnen ontrollen. Besloten wordt met een eenvoudige berekening waarmee de afweging wordt geïllustreerd die normaal gesproken plaats vindt om tot formulering van beleid te komen.

Een eenvoudig verspreidingsmodel

Toen het coronavirus voor het eerst opdook in Wuhan werd door medische deskundigen aanvankelijk betwijfeld of dit virus van mens op mens overdraagbaar was en werd in een later stadium de kans klein geacht dat dit virus Europa zou bereiken. Vervolgens zeiden diezelfde deskundigen dat zij goed waren voorbereid op datgene wat komen ging. Beleid en medische experts liepen echter achter de feiten aan en gaven de argeloze buitenstaander de indruk dat zij verrast en onvoorbereid het gelande virus tegemoet traden. Aan test- en beschermend materiaal als ook aan ziekenhuisbedden voor intensieve zorg ontstonden al snel tekorten. Het aanvankelijk snelle wisselen van bereiken van groepsimmuniteit naar (intelligente) lockdown, lijken de verrassing te onderstrepen. Deze wisseling van in wezen diametraal tegenover elkaar staande beleidsopties werd overigens ingegeven door de wens “de curve plat te slaan” i.v.m. dreigende tekorten aan IC-capaciteit. Zoals nu duidelijk begint te worden uit het beschikbaar komen van economische data, een kostbare beleidskeuze.

Tot dusverre wordt het testen van corona-verdachten nog steeds beperkt tot degenen met ernstige, dan wel duidelijke klachten. De testcapaciteit wordt mondjesmaat uitgebreid. Daartegenover staat, vanaf het begin van deze  epidemie, de proactieve test praktijk van meer en eerder testen van corona-verdachten in andere landen. Voorbeelden zijn Nieuw-Zeeland, Australië, Zuid-Korea, VAE en Taiwan. Zij combineerden uitvoerig testen, daaropvolgend isoleren van virusdragers en contactenonderzoek met een rigoureuze lockdown en konden zo het virus rap bedwingen. Buurland Duitsland heeft per hoofd van de bevolking bijna tweeënhalf maal zoveel testen uitgevoerd als Nederland en het Duitse sterftecijfer ten gevolge van corona bedraagt “slechts” iets minder dan 30% van dat in Nederland. Op zijn minst in het oog springende verschillen.

De opgelegde beperking aan het aantal uitgevoerde testen op de aanwezigheid van het coronavirus leidt bovendien tot louter select uitgevoerde steekproeven; de cijfers zijn “biased”. Met als gevolg dat deze ons, op één uitzondering na, weinig vertellen over het stadium waarin de epidemie verkeert1). Het beleid lijkt te varen zonder deugdelijk kompas.

Groepsimmuniteit kan alleen bestaan zolang er geen nieuwe virusdragers de populatie binnen komen.

Het in deze bijdrage gehanteerde verspreidingsmodel (zie kader), oorspronkelijk in 1927 ontworpen door Kermack en McKendrick, behoort tot de klasse van de zogenoemde SIR compartimenterings-modellen en is deterministisch van aard 2). Een handige samenvatting van hetgeen beschikbaar is aan epidemiologische modellering is die van Siettos en Russo “Mathematical modeling of infectious desease dynamics”, waarin ook aandacht wordt gegeven aan het hier gehanteerde model. Dit model waarmee de verspreiding van een virus aanschouwelijk kan worden gemaakt is betrekkelijk eenvoudig, maar geeft wel zicht op de fundamentele dynamiek van een dergelijk proces. Het model laat zien dat tijdig ingrijpen door middel van compromisloze contactbeperking in combinatie met het  isoleren van virusdragers binnen enkele besmettingsrondes, en in theorie na één besmettingsronde (D), het virus elimineert. Een halfslachtige of een slecht nageleefde lockdown helpt dus niet

Kader 1

Het verspreidingsmodel Het model wordt geschreven in discrete tijd en verschaft inzicht in de dynamiek van een epidemiologisch proces binnen een gesloten populatie (P). Deze populatie bestaat uit twee compartimenten. Het ene (B) bevat degenen die besmet waren, maar nu genezen, alsmede zij die het nog actieve virus dragen (N). Het andere (P-B) bevat de nog niet geïnfecteerden. Naarmate een epidemie om zich heen grijpt verhuizen mensen van het ene naar het andere compartiment. De verhuizing stopt wanneer de populatie volledig besmet is (P=B), dan wel op een eerder moment, wanneer groepsimmuniteit (P>B) wordt bereikt.

De snelheid waarmee het virus wordt overgedragen wordt bepaald door het zogenoemde reproductiegetal R, het gemiddelde aantal contacten dat een virusdrager heeft waarmee met zekerheid het virus wordt overgedragen. Dit reproductiegetal wordt op zijn beurt bepaald door en is het product van de inherente besmettelijkheid van een virus (0>µ<1), de gemiddelde duur van de besmettingskans (D) en het aantal contacten (C) dat een virusdrager per tijdseenheid (1/D) heeft. Voor de periodisering in onderstaand model wordt gekozen voor de besmettingsduur, m.a.w. D=1. Het initiële reproductiegetal (R0) varieert al naar gelang het type virus, maar is, gegeven het aantal contacten (C), constant voor één specifiek virus.

In een gesloten populatie zal naar de mate waarin het virus zich verspreidt het aantal nog te besmetten personen afnemen, de kans dat een virusdrager iemand uit de populatie besmet daalt dus af over tijd. De feitelijke R is fase-afhankelijk, dwz. Afhankelijk van het stadium waarin de epidemie zich bevindt, en te schrijven als:

1. Rt = (1 – βt-1).R0 , waarbij βt-1 = Bt-1/P en R0 = µ.C.D

Voor het aantal nieuwe besmettingen geldt dan:

2. Nt = (1 – βt-1).R0.Nt-1

En voor B:

3. Bt = Bt-1 + Nt

Tenslotte kan de relatieve verandering in het aantal nieuwe besmettingen gn geschreven worden als:

4. gnt = (1 – βt-1).R0 – 1

Aan de hand van bovenstaande vergelijking kan een aantal technische eigenschappen van dit verspreidingsmodel worden beschreven.

- In de beginfase van een epidemie is de parameter β verwaarloosbaar klein. De toeneming van het aantal nieuwe besmettingen wordt bepaald door het initiële reproductiegetal R0. Naar de mate waarin het virus zich verder heeft verspreid neemt de groei van het aantal nieuwe besmettingen af, waarna op enig moment deze negatief zal worden. Het aantal nieuwe besmettingen daalt.

- Groepsimmuniteit kan binnen dit model worden beschreven, maar wordt, in onderlinge samenhang, bepaald door de startwaardes van de toestandsvariabelen (P, Ro en N0). Aan de hand van numerieke variaties kan deze conclusie aannemelijk worden gemaakt.

- Van een dynamisch evenwicht is sprake wanneer de toeneming in het aantal nieuwe besmettingen zich stabiliseert. De epidemie is in een endemische fase beland en het feitelijk reproductiegetal is dan gelijk aanéén. In die omstandigheden is een lager gelegen (evenwichtig) groeipad bereikt waarop de van het aantal nieuwe besmettingen af te leiden grootheden, zoals ziekenhuisopnames en bezetting van ziekenhuisbedden, op lagere evenwichtsniveaus belanden.

- Beperking van het aantal contacten, het huidige beleid, leidt via C tot een verlaging van het oorspronkelijk reproductiegetal R0 en dus tot een vertraging in de verspreiding van het virus: gecontroleerde uitbraak. Een bijzonder geval is wanneer in één besmettingsronde D R0 op nul kan worden gehouden. Het aantal nieuwe besmettingen daalt naar nul en in een gesloten populatie wordt groepsimmuniteit bereikt. Duidelijk is dat hoe tijdiger en effectiever in een zich ontwikkelende epidemie wordt ingegrepen des te eerder het virus de kop zal zijn ingedrukt.

- Er kan ook iets worden gezegd over in quarantaine stellen van virusdragers. Op enig moment verdwijnt dan een deel van de virusdragers (Nt-1) in een afzonderlijk derde compartiment, waardoor de besmettingskans afneemt. De conclusies zijn dezelfde als in het geval van contactbeperking.

- Tenslotte laat het model ook zien wat er gebeurt wanneer een (kwetsbaar) deel van de populatie wordt afgezonderd: β stijgt en R daalt. .

 

Het model kent ook beperkingen, de werkelijkheid is immers altijd weerbarstiger dan de theorie. De meest in het oog springende beperking is dat het model uitgaat van een gesloten populatie. Een aanname die niet strookt met de praktijk van open grenzen en vrij verkeer van personen. In een moderne samenleving als de onze is het daarom illusoir te denken dat een lockdown tot uitroeiing van het virus zal leiden. Tenzij bijzonder lang volgehouden of op bijvoorbeeld Europees niveau gecoördineerd plaats vindt. Wordt er desalniettemin op  enig moment in de epidemie dan toch een situatie bereikt die de kenmerken van groepsimmuniteit zou hebben, dan is dat alleen maar valse schijn. Groepsimmuniteit kan alleen bestaan zolang er geen nieuwe virusdragers de populatie binnen komen. Neil Ferguson waarschuwt in het FD aan de hand van eerdere pandemieën voor dit verschijnsel en de daaropvolgende consequenties. Er dreigt dan een tijdrovend proces waarin het aantal nieuwe besmettingen oscillerend naar uiteindelijk nul beweegt.

Het model maakt geen onderscheid in leeftijdsklassen. De tot dusverre beschikbare cijfers over de gevolgen van het coronavirus laten zien dat dit virus, afgemeten aan de mortaliteit per leeftijdsklasse, discrimineert. Immers, ca. 90% van het aantal overledenen is 70 jaar of ouder. Voorts wijzen virologen op het feit dat veel (jonge) dragers van het actieve virus geen of vrijwel geen ziekteverschijnselen vertonen, maar wel besmettelijk zijn. Bovendien lijkt het aannemelijk dat het aantal contacten van ouderen beduidend minder zal zijn dan van nog in het volle leven staande jongeren. Overigens met de wrange uitzondering van ouderen die in zorginstellingen verblijven, waar R bijzonder hoog zal zijn.

Zo de dagelijkse cijfers over het aantal nieuwe besmettingen statistisch serieus mogen worden genomen, is de epidemie in een fase is beland waar het feitelijk reproductiegetal lijkt te dalen. De beoogde effecten van contactbeperkingen worden zichtbaar. Op voorhand mag echter niet worden uitgesloten dat, juist omdat het aantal contacten niet tot nul is teruggebracht, de epidemie op weg is naar een nieuw dynamisch evenwicht. R<1 is dan de reflectie van een beweging van het ene naar het andere lagergelegen groeipad. Dat het aantal ziekenhuisopnames afneemt, de bezetting van ziekenhuisbedden met inbegrip van die op intensieve zorg daalt, past bij de gang naar dit nieuw te bereiken evenwicht. En deze kengetallen zullen, wanneer de epidemie endemisch is geworden, na verloop van tijd stabiliseren op lagere niveaus.

Op voorhand mag daarom niet worden uitgesloten dat, wanneer het lockdown beleid wordt versoepeld, de epidemie na verloop van tijd, wellicht minder krachtig, zich herneemt. Waarna mogelijk opnieuw aantrekken van de lockdown teugels volgt, en zo verder. Gegeven het feit dat het virus discrimineert tussen leeftijdsgroepen lijkt er daarom ruimte voor een fijnmaziger en gerichter beleid. Een combinatie van beschermen van kwetsbare groepen, breed testen, gevolgd door contactenonderzoek, isoleren van virusdragers en wat nu al wordt genoemd, de anderhalvemetersamenleving. Een variatie op het Zweedse model. 

Macro-economische consequenties

Na in de vorige paragraaf gezette stap opzij komt nu de macro-economie aan de orde. In eerste aanleg neemt een lockdown de vorm aan van een aanbodschok; de voorgenomen bestedingen worden voor een zekere tijdsduur gerantsoeneerd. Deze rantsoenering leidt al vrij snel tot inkomensverlies en liquiditeitsspanningen die op hun beurt tot bestedingsuitval leiden. De Keynesiaanse multiplier neemt de initiële aanbodschok over en gaat aan het werk. Hoe langer daarom de lockdown duurt, des te hoger liquiditeitsspanningen en inkomensverlies zullen oplopen en des te omvangrijker de uiteindelijke economische schade zal zijn.  

Als uitgangspunt is gekozen voor de door de ECB uitgesproken verwachting dat in het slechtste geval de economie wel eens met 12% zou kunnen krimpen

Alles bepalend voor de economische afloop van deze coronacrisis is dus de duur van de lockdown alsmede het antwoord op de vraag hoe ingrijpend deze in eerste aanleg zal zijn voor het niveau van  economische activiteit. Het CPB heeft in haar scenario analyse aan beide facetten aandacht geschonken. De analyse lijkt evenwel gedateerd, want tot dusverre beschikbaar gekomen cijfers over de staat waarin de internationale economie verkeert voorspellen een meer dan aanzienlijke, vrijwel nog nooit vertoonde krimp. Het heeft er alle schijn van dat wereldwijd en hoogstwaarschijnlijk ook in Nederland de bedrijvigheid beduidend verder zal inzakken dan eerder ingeschat. En dat heeft consequenties voor het verdere verloop en tempo van herstel.

Op basis van de door het CPB gepresenteerde scenario’s kan, zij het tentatief, wel iets worden gezegd over de vervolgeffecten van een verdere terugval in bedrijvigheid dan aanvankelijk gedacht. In de hiernavolgende sommen is uitgegaan van twee varianten. De berekeningen beperken zich noodgedwongen tot het groeipad (BBP) dat de economie zal volgen. De eerste variant gaat uit van een drie maanden durende lockdown en een afname in bedrijvigheid gedurende het tweede kwartaal van dit jaar met 10 procentpunten BBP. In de tweede variant wordt gerekend met een lockdown  die een periode van een jaar in beslag neemt, maar bij aanvang in het tweede kwartaal van dit jaar verder uitdiept naar gemiddeld 20 procentpunten BBP. Deze tweede variant is bedoeld om de “fat tail”, m.a.w. de voor onmogelijk gehouden extreme gevolgen van de corona gebeurtenis in kaart te brengen.

Grafiek 1                                                           

In het geval de lockdown in tijd en diepte beperkt is, zo blijkt uit grafiek 1, ondergaat de Nederlandse economie in eerste instantie een aanzienlijke krimp, maar zal vervolgens gedurende de tweede jaarhelft, zij het aarzelend, uit het dal kruipen. Jaar op jaar bedragen de groeicijfers voor het BBP respectievelijk – 6% en + 1,7%. Van een V-vormige recessie, waaruit na het bereiken van het dal snel wordt teruggekeerd naar het oorspronkelijke groeipad, is evenwel nog geen sprake. Of dit pad in de verder weg gelegen toekomst weer zal worden bereikt is mogelijk waarschijnlijk, maar vooralsnog ongewis bij gebrek aan een doorrekening over meerdere jaren. De V-vorm verdwijnt helemaal uit beeld in de tweede variant. Na de bijzonder forse terugval in economische activiteit ten gevolge van de lockdown zet de krimp ook in het jaar daarop door, waarna eerst gedurende de tweede jaarhelft van 2021 de weg omhoog weer wordt teruggevonden3). In deze variant bedragen de jaar op jaar groeicijfers voor het BBP respectievelijk – 17%  en – 7,5%. Een eventueel bereiken van het oorspronkelijke groeipad ligt in ieder geval in een ver weg gelegen toekomst en mag om meerdere redenen eigenlijk worden betwijfeld.

In andere landen worden de te verwachten economische consequenties van overigens beduidend striktere lockdowns dan in Nederland vooralsnog voor lief genomen. Mogelijk omdat deze uit ongeloof nog aanzienlijk worden onderschat.

De economische schade ten gevolge van de corona epidemie met het daarop toegesneden beleid kan  tot een uitzonderlijke omvang uitdijen. In beide varianten zullen bedrijven omvallen en de bedrijven die overleven zullen in financieel opzicht sterk vermagerd uit deze crisis komen. Het behoeft geen betoog dat in deze omstandigheden de werkloosheid tot ongekende hoogtes zal oplopen en dat de overheidsfinanciën, ambitieus steunbeleid nog niet meegerekend, volledig uit het lood zullen worden geslagen. De recente Voorjaarsnota van het Ministerie van Financiën geven daarin niet mis te verstane cijfers een voorproefje van.                 

Vanzelfsprekend zijn in deze varianten de gevolgen van financieel-economisch beleid nog niet (ten volle) meegenomen4). In tal van landen zijn beleidspakketten aangekondigd die zowel voorzien in inkomens- als liquiditeitssteun. Duitsland gaat, blijkens een recente rapportage van het Bruegel Instituut, daarin het verst, met omvangrijke liquiditeitssteun en garantiestelling. Het lijkt zich als één van de eerste EU-landen al in een vroeg stadium de ernst van de financieel-economische situatie ten volle te realiseren. De andere EU-landen, in de hoop op een V-vormig herstel, nemen vooralsnog een meer afwachtende houding aan en zouden daarvoor wel eens een hoge prijs moeten betalen. Een  ruimhartiger en tijdiger financieel-economische beleidsreactie, zoals bijvoorbeeld Van Wijnbergen, Teulings en Hoogduin bepleiten, ligt daarom voor de hand. De maatregelen dienen gericht te zijn op het creëren van financiële ruimte teneinde de coronacrisis met zo min mogelijk kleerscheuren te doorstaan. Bij voorkeur geflankeerd door een intelligenter en gerichter corona-beleid.

Er zijn echter, zelfs bij omvangrijke financieel-economische steunmaatregelen, belangrijke risico’s aan te wijzen die de kans op (volledig) herstel kunnen belemmeren, zo niet zullen verhinderen. Nadat het coronavirus is bedwongen zal op enig moment het bedrijfsleven, althans het deel dat nog in leven is, de verkregen extra liquiditeitssteun met inbegrip van opgelopen rente moeten gaan terugbetalen. Dat zal tot een substantiële reductie van vrij beschikbare kasstromen leiden met beperking van groeiambities en derhalve feitelijke groei tot gevolg. Een Euro kan maar eenmaal worden uitgegeven en banken zullen tegen die tijd minder bereid zijn om groeiambities mee te financieren. Bovendien, zolang er geen vaccin bestaat tegen het coronavirus, zal de anderhalvemetereconomie op zichzelf verhinderen dat bedrijven op normale bezetting van hun productiecapaciteit kunnen draaien. Dat geldt voor niet alleen de industrie, maar voor alle bedrijfstakken. M.a.w. zelfs in de milde variant 1, waarin de coronadip beperkt van omvang is en herstel niet lang op zich laat wachten, lijken de hiervoor beschreven kwade kansen meer dan reëel en zullen dientengevolge de weg terug naar het pre-corona groeipad bemoeilijken.     

Beleid gewogen  

Het tot dusverre gevoerde eenzijdige beleid heeft, gelet op uiterst sombere economische verwachtingen, een keerzijde. Onder normale omstandigheden komt overheidsbeleid tot stand in een proces van wikken en wegen. Anders geformuleerd, het maximaliseren van een (politieke) welvaartsfunctie met meerdere doelvariabelen onder meerdere restricties. De welvaartsfunctie is voorlopig teruggebracht tot één doelvariabel (terugdringing coronavirus en beperking van de daarvan in medisch opzicht af te leiden gevolgen) en van restricties is geen sprake. Robin Fransman bijvoorbeeld stelt het vooralsnog ontbreken van het maken van beleidsafwegingen terecht aan de orde. In dit verband wordt aan de hand van een iets verder uitgewerkt voorbeeld deze beleidsafweging inzichtelijk gemaakt: een vergelijking van maatschappelijke kosten en baten. Als uitgangspunt is gekozen voor de door de ECB uitgesproken verwachting dat in het slechtste geval de economie wel eens met 12% zou kunnen krimpen. Voorts is optimistisch aangenomen dat het nadien 5 jaar duurt om terug te keren naar het pre-corona niveau van economisch activiteit. Op basis van beide uitgangspunten bedraagt het voor Nederland te berekenen gecumuleerde BNP verlies ca. € 250 mld. Bij de huidige rente van om en nabij nul vertegenwoordigt dit bedrag  de contante waarde van het opgetreden welvaartsverlies, i.e. de verwachte kosten. De verwachte baten kunnen daartegenover worden gezet. Stel dat deze gelijk zijn aan een vermeden mortaliteit van 0,2% van de totale Nederlandse bevolking, ca. 35.000, voornamelijk oudere, personen en ruim gerekend ca. 300.000 levensjaren. De in geld uitgedrukte bate voor één gespaard levensjaar bedraagt dan ongeveer  

€ 825.000. Meer dan het tienvoudige van de waardering van een levensjaar, zoals deze normaal gesproken wordt gebruikt in door de overheid uitgevoerde maatschappelijke kosten-batenanalyses. Tegen die achtergrond roept de uitkomst van deze eenvoudige som op zijn minst de vraag op of op dit moment gesproken kan worden van evenwichtige en rationele afweging van beleidsopties.

Besluit

Vooralsnog blijft de beleidsreactie op het coronavirus in tal van landen eendimensionaal en wordt deze nu feitelijk uitsluitend overgelaten aan medisch geschoolde experts. Het financieel-economisch beleid beperkt zich vooralsnog tot kortdurende maatregelen in de kennelijke verwachting dat het virus snel zal overwaaien en de economie dientengevolge zal terugveren naar pre-corona niveaus. Afwegingen, in termen van maatschappelijke kosten en baten, zijn, wellicht daarom, nog niet aan de orde.

Binnen de EU lijkt Duitsland het enige land dat zich de ernst van de financieel-economische situatie  realiseert. In andere landen worden de te verwachten economische consequenties van overigens beduidend striktere lockdowns dan in Nederland vooralsnog voor lief genomen. Mogelijk omdat deze uit ongeloof nog aanzienlijk worden onderschat. Een alternatief voor het huidige beleid van contactbeperking in al zijn varianten lijkt aanwezig, aangezien het virus tussen leeftijdsklassen lijkt te discrimineren. Maar dan nog moet rekening worden gehouden met forse economische schade en nadien een herstel, zo daar sprake van kan zijn, dat trager verloopt dan gebruikelijk. Dat het IMF parallellen trekt met de Grote Depressie is om die reden meer dan begrijpelijk en mag hopelijk leiden tot snel veranderende beleidsinzichten.          

Voetnoten

1) Zie link. Worden de Sanquin cijfers, met het nodige voorbehoud overigens, opgeblazen naar de Nederlandse bevolking, dan zouden tot begin april van dit jaar al ca. 590.000 personen in aanraking met het virus zijn geweest. Een β-1 van ca. 0,034

2) RIS staat voor Susceptible, Infectious, Recovered

3) Overigens rijst de vraag of bij het doorrekenen van zulke grote veranderingen het daarvoor gebruikte macro-model nog wel valide uitkomsten genereert. Het zou wel eens kunnen zijn dat dergelijke grote variaties buiten de reikwijdte van het model vallen, want de veronderstelde variaties liggen ver buiten het bereik van de dataruimte waarbinnen de parameters van het model zijn geschat

4) Het CPB heeft in haar scenario analyse rekening gehouden met de tot dan bekende Nederlandse beleidsvoornemens

Te citeren als

Peter de Ridder, “Economie in de ban door corona”, Me Judice, 11 mei 2020.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

Afbeelding
Afbeelding 'Economy' door 'Duchamp'

Ontvang updates via e-mail