Het pensioenstelsel staat er goed voor

Onderwerp:
In ESB van 2 juni j.l. verdedigde Bernard van Praag de stelling dat ons pensioen er veel beter voor staat dan we denken. Het systeem is niet onhoudbaar. Integendeel, het staat er uitstekend bij. In deze bijdrage zal hij dit op eenvoudige wijze, maar meer formeel, aantonen. Door jarenlang de rekenrente fictief laag te houden kunnen volgens hem zelfs vele fondsen in principe probleemloos overgaan op een gehele of gedeeltelijk premievrij pensioenregeling.

De vermogensgroei van pensioenfondsen

De Nederlandse pensioenfondsen zijn sinds 2002 per jaar met ca. 6,5% per jaar gegroeid. In eerste instantie lijkt die verdriedubbeling een prachtig resultaat, waarvoor zeker de beleggers moeten worden bedankt. Maar is het ook nodig? Het pensioen-arrangement is in wezen een spaarregeling. De spaarpot groeit en neemt na pensionering weer af en idealiter zou aan het eind van het leven de spaarpot precies leeg moeten zijn. Wanneer we over alle deelnemers, oud en jong, aggregeren, dan zou het fonds een bepaalde constante grootte hebben. Dat maakt de tomeloze groei van onze fondsen opmerkelijk. Wanneer we uitgaan van geïndexeerde pensioenen waarbij de inflatie ca. 1,5% bedraagt, dan zou men een groei van 1,5% nominaal mogen verwachten. Niet 6,5%. Ook vergrijzing zou voor een zekere toename hebben kunnen zorgen van pak-‘m beet ca. 0,5% per jaar, maar dan zijn de groei- factoren ook wel benoemd. De groei is dus aan de ene kant mooi. We krijgen hierdoor een stootkussen voor slechte tijden, maar voor een deel wordt er opgepot zonder duidelijke reden. Dat overmatige sparen moet dus aan het eind van het leven ertoe leiden dat de individuele spaarpotten gemiddeld niet leeg zijn, maar nog een flink bedrag moeten bevatten. We zien daar zelden berekeningen van. In Van Praag en Hemmers (2019) vinden wij een schatting waarbij wij tot de conclusie kwamen dat bij het beschouwde bedrijfstakpensioenfonds er nog ca. €80.000 in de pot zou zijn blijven zitten, wanneer onze ''maatman'' op 86- jarige leeftijd komt te overlijden. Dat geld wordt niet uitgekeerd aan de erven. Het blijft dus in het fonds zitten.

Een gedeelte van de groei van de fondsen komt uit deze bron, waarover fondsen in het algemeen discreet zijn. Op dit deel van het vermogen, voor zover het aan inmiddels overleden deelnemers kan worden toegerekend, kunnen zeker geen eigendomsrechten van individuele nog levende deelnemers worden gedefinieerd. Het idee dat het fondsvermogen in zijn geheel zou kunnen moeten worden verdeeld over de nog levende deelnemers lijkt dus ongefundeerd. En daarmee komt het denkmodel met individuele potjes onder druk te staan.

Hoe groot moet de reserve van een bedrijfstakpensioenfonds eigenlijk zijn?

Die vraag is minder moeilijk dan vaak wordt gedacht. Wanneer je €1000 belegt met 3% rente, dan krijg je elk jaar een rendement van €30 met behoud van de hoofdsom. Wanneer je als fonds €100 miljard hebt te beleggen krijgt dat fonds dus elk jaar €3 miljard. Bekijken we nu als voorbeeld het ABP. Dat fonds krijgt de laatste jaren ca. 10 miljard aan premies binnen en moet 12 miljard uitkeren. Er is dus een nadelig saldo van 2 miljard. Bij een fondsgrootte van 60 miljard zou het rendement dus die negatieve 2 miljard compenseren, want 3% van 60 miljard is 2 miljard. Wanneer je ook nog wil indexeren met 2% en je aanneemt dat de premies met diezelfde loonindex stijgen, dan zou je een nominaal rendement moeten maken van 2 miljard plus 1.2 miljard. Het laatste bedrag van 2% van 60 miljard is nodig om bij de hoofdsom te tellen, zodat de reële waarde van het fonds constant blijft. Dan moet je dus een rente van 5% nominaal maken op die 60 miljard. ABP maakt een nominaal rendement van gemiddeld 7% over de jaren. Het ABP beschikt nu over beschikbare middelen ten bedrage van ca. 466 miljard en het rendement ligt nu gemiddeld in de orde van 30 miljard per jaar. Dat is wel wat meer dan 3,2 miljard. Nu moeten er natuurlijk nog wel reserves zijn voor slechte tijden. Laten we nu heel royaal vinden dat het vermogen dan op €100 miljard gezet moet worden. Dan nog zitten we op een dekkingsgraad van 466%. Hoe komen we dan op zulke dramatische lage dekkingsgraden zoals DNB die vaststelt?

Dat ligt aan het feit dat de minister en DNB uitgaan van de gedachte dat pensioenfondsen moeten uitgaan van een rendement dat gelijk is aan het rendement op staatsobligaties en andere kortlopende leningen, de zogenaamde rekenrente, die nu op ca. 0,35% wordt gesteld. Als je dan van een nadelig saldo van 2 miljard uit gaat, dan kom je uit op een benodigd vermogen van ca. 500 miljard en dus een dekkingsgraad van 466/500 = 91%.

Er is geen enkele reden om ons systeem fundamenteel te wijzigen en op zijn kop te zetten. De paniek wordt volstrekt kunstmatig verwekt door het bindend voorschrijven van een absurd lage rekenrente om de dekkingsgraad te berekenen.

Voor andere fondsen kunnen dergelijke berekeningen gemaakt worden met meestal soortgelijke uitkomsten. Voor sommige fondsen zijn de uitkomsten nog vreemder. Er zijn fondsen waarbij jaar na jaar de premieontvangsten hoger zijn dan de pensioenuitgaven. Dat geldt bijvoorbeeld voor het éen na grootste fonds PFZW voor het zorgpersoneel en voor PMT. Strikt genomen zouden die ook kunnen worden gedreven als omslagfonds. Hetzelfde geldt voor het aggregaat van alle Nederlandse pensioenfondsen. In 2002 bedroegen de premie-ontvangsten 18 miljard en de uitkeringen 14 miljard. In 2019 was dat respectievelijk 36 en 32 miljard. Ook alle tussenliggende jaren overtroffen de premie-ontvangsten de uitkeringen aan pensioen.

Hier kan maar één conclusie worden getrokken. De meeste fondsen verkeren in blakende welstand. Er is geen enkele reden om ons systeem fundamenteel te wijzigen en op zijn kop te zetten. De paniek wordt volstrekt kunstmatig verwekt door het bindend voorschrijven van een absurd lage rekenrente om de dekkingsgraad te berekenen - en dan die zo berekende dekkingsgraad als maatlat te nemen voor de gezondheid van een fonds.

Mogelijkheden voor een geheel of gedeeltelijk premievrij pensioen? Rentedekking?

Met dit eenvoudige model kunnen we ook nagaan hoeveel er nodig zou zijn aan beschikbare middelen om het pensioen premievrij te kunnen maken. Bekijk weer het ABP met uitkeringen van ca. 12 miljard. Het ABP zou in feite moeiteloos uit haar rendement van ca. 30 miljard de uitkeringen kunnen betalen zonder premieontvangsten. Een premievrij pensioen dus. Wanneer we voor de gemiste indexatie van 20% corrigeren, dan zouden de uitkeringen 14,4 miljard bedragen. Ook dat gaat heel best. En dan blijft er ook nog meer dan genoeg geld om in het fonds te stoppen om de hoofdsom voor inflatie te corrigeren.

Doen wij deze berekeningen voor de drie grootste fondsen, en voor Nederland in zijn geheel, dan vinden we de resultaten in Tabel 1. Daaruit zien we dat ABP in 2007 €6,5 miljard uitkeerde en beschikbare middelen had ter waarde van €217 miljard. Bij een rekenrente van 0.45% zou men voor een premievrij pensioen een fonds moeten hebben van €1.444 miljard. Bij een rendement van 3% zou men 216 miljard nodig gehad hebben en dus haast aan de 100% dekkingsgraad zitten. In 2019 zou men bij een rekenrente van 3% een vermogen moeten hebben van €400 miljard. Afgezet tegen het echte vermogen van €466 miljard zouden we een premievrij pensioen kunnen hebben met een dekkingsgraad van 111%.

TABEL 1.  Premievrij waardevast Pensioen uit rentedekking

De conclusie die uit deze berekeningen getrokken kan worden is dat in 2007 een geheel of gedeeltelijk premievrij geïndexeerd pensioen nog niet mogelijk was maar dat in 2019 dit voor een aantal fondsen een zeer bespreekbare optie is geworden. In ieder geval lijkt dit een begaanbare weg voor PFZW en PMT te zijn.

Micro- problemen

Wanneer we deze beschouwingswijze, die we de kasstroom-optiek zullen noemen, vergelijken met de traditionele manier van kijken, dan zien we drie essentiële verschillen. Wij zijn gewoon bij het DB-pensioen het fonds te bezien als een collectief van individuele pensioenverzekeringen. Dat betekent dat in theorie het kapitaal kan worden verdeeld over de deelnemers die zich zien als eigenaren van het fondsvermogen. Uiteraard is dat eigendom fictief, maar dat doet er nu even niet toe. In onze optiek kan niemand eigendomsrechten doen gelden op een deel van het fonds, zeg maar het individuele potje. Er zijn geen eigenaren. In feite is er sprake van vruchtgebruik door de gepensioneerden, waarbij het vermogen constant blijft. Het recht op dat vruchtgebruik wordt door de deelnemer gekocht door gedurende de actieve periode van premie betalen. De blote eigendom van het vermogen blijft in handen van het pensioenfonds.

Een tweede interessant aspect is dat onze analyse alleen werkt met de totale premiesom P en de totale som van uitkeringen U. Er wordt geen enkele uitspraak gedaan over hoe de premies worden berekend en dat zelfde geldt voor de uitkeringen. Een mogelijkheid is om de premie te laten afhangen van inkomen en rente zoals de traditie wil en het zelfde geldt voor de individuele uitkeringen, bijv. 80% middelloon. Niets verzet zich er tegen om premies en uitkeringen te berekenen met het bekende model. Het is echter niet nodig. Ook kan hier met allerlei varianten gerekend worden, bijvoorbeeld met een afschaffing van de doorsneepremie. Er is alle vrijheid om het micro- verdelingsprobleem over individuen zo op te zetten of te continueren als politiek aanvaardbaar.

Vele fondsen zouden nu zonder probleem kunnen overgaan op een gehele of gedeeltelijke premievrije pensioenregeling.

Een derde interessant aspect is dat de vermogens in de laatste twintig jaar zo extreem gegroeid zijn dat we kunnen gaan denken aan het geheel of gedeeltelijk premievrij maken van de pensioenregelingen. Een opmerkelijke en verrassende gedachte in tijden van pensioencrisis.

Verfijningen

Uiteraard hebben wij in deze algemene beschouwing een aantal moeilijke detailproblemen buiten beschouwing gelaten. Daarbij denken we aan het effect van de leeftijdsverdeling, die natuurlijk kan en zal wijzigen. Een tweede aspect is de stochastische factoren. Rendementen zijn stochastisch. Hetzelfde geldt voor geboorte en sterfte. Met behulp van simulaties zal moeten worden bekeken in hoeverre de berekeningen aanpassing behoeven. Niettemin lijken me deze simpele berekeningen voldoende stof te bieden voor heroverweging van onze actuele pensioenproblematiek.

Conclusie

In dit stuk meen ik te hebben aangetoond dat de financiële situatie van het Nederlandse pensioenstelsel het tegendeel van penibel is. De situatie is uitermate comfortabel, ook al zullen er wel enkele uitzonderingen zijn. De indruk dat ingrijpen en een hervorming van het systeem onontkoombaar is wordt slechts veroorzaakt door het à tort et à travers vasthouden aan de dekkingsgraad definitie van de minister en DNB. Er moet worden gerekend met een onmiddellijke liquidatie die leidt tot de noodzaak van een heel lage discontovoet met als resultaat een absurd hoge waardering van de toekomstige verplichtingen. Door het volhouden van deze onnodige politiek is veel schade veroorzaakt. Een groot deel van onze beroepsbevolking en gepensioneerden, samen ca. 10 miljoen personen, zijn de laatste 12 jaar al 20% koopkracht kwijt geraakt. Volgens vele voorspellingen, ook van minister Koolmees zelf, zal er naar alle waarschijnlijkheid nog jaren niet worden geïndexeerd, of zelfs worden gekort, waarbij een verdere daling van 20% tot 2030 absoluut niet ondenkbaar is. Als ik deze belangen afweeg tegen een beschadiging van de het prestige van minister Koolmees is voor mij de keuze niet zo moeilijk. De onverwachte en onbedoelde bijvangst van dit beleid van de laatste twaalf jaar is dat de fondsvermogens astronomisch gestegen zijn in vergelijking tot de pensioenuitkeringen. Dat heeft tot gevolg dat vele fondsen nu zonder probleem zouden kunnen overgaan op een gehele of gedeeltelijk premievrije pensioenregeling. Dat zou een happy ending betekenen voor onze vaderlandse pensioenworsteling.

Literatuur

B.M.S. van Praag, ‘Ons pensioen staat er veel beter voor dan we denken’, Economisch – Statistische Berichten, 2 juni 2020.

B.M.S. van Praag, H. Hemmers, “Individuele potjes en de doorsneesystematiek nader beschouwd: Bezint eer ge begint”, Me Judice, 5 maart 2019.

Te citeren als

Bernard van Praag, “Het pensioenstelsel staat er goed voor”, Me Judice, 3 juli 2020.

Copyright

De titel en eerste zinnen van dit artikel mogen zonder toestemming worden overgenomen met de bronvermelding Me Judice en, indien online, een link naar het artikel. Volledige overname is slechts beperkt toegestaan. Voor meer informatie, zie onze copyright richtlijnen.

Afbeelding
Afbeelding 'Later als we samen zijn' van 'Roel Wijnants'

Ontvang updates via e-mail